ECLI:NL:RBZWB:2026:3854

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
11735815 MB VERZ 25-584
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.A. van Aardenne
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a lid 2 sub a WahvArt. 13a lid 2 sub b WahvArt. 7.7 lid 1 Voda
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersboete voor vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden gedeeltelijk gegrond verklaard

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 15 februari 2024. Betrokkene voerde aan dat de gedraging niet had plaatsgevonden en stelde vragen bij de waarneming door de verbalisant, mede vanwege het gelijktijdig opleggen van een boete voor het niet beschikken over een juist rijbewijs.

De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt en dat de gedraging is verricht. Wel achtte de rechter matiging van de boete op zijn plaats vanwege de cumulatie van sancties en het oogpunt van redelijkheid, waardoor de boete werd verlaagd tot €150 plus administratiekosten.

Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan zekerheid en tot vergoeding van de proceskosten van €934. De procedurekostenvergoeding werd berekend op basis van de punten en het gewicht, waarbij rekening werd gehouden met het feit dat de gemachtigde advocaat was en geen no cure no pay-constructie hanteerde.

De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is gematigd tot €150 met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaaknummer.: 11735815 \ MB VERZ 25-584
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 12 maart 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.R. Coffi

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 maart 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [naam] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Steenweg te Moerdijk op 15 februari 2024 om 17:32 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Daarbij is het onduidelijk welke verbalisant de gedraging heeft waargenomen. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat uit het dossier blijkt dat de verbalisant op hetzelfde moment een boete heeft uitgeschreven voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat én voor het niet beschikken over een juist rijbewijs. Dit roept vragen op over de feitelijke gang van zaken. Indien betrokkene zijn rijbewijs ter controle moest afgeven aan de verbalisant, kan hij op datzelfde moment niet rijdend een mobiel elektronisch apparaat hebben vastgehouden. Gelet op deze tegenstrijdigheid en de cumulatie van sancties verzoekt gemachtigde primair om vernietiging van de sanctiebeschikking en subsidiair om matiging van de sanctie. Ten aanzien van de proceskosten stelt betrokkene zich op het standpunt dat artikel 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing zijn, reeds omdat Coffi Advocatuur niet werkt op basis van no cure no pay. In dat verband wordt verwezen naar het verbod op resultaatsgerelateerd honorarium in artikel 7.7. lid 1 Voda in relatie tot ECLI:NL:HR:2025:46 r.o. 3.5.1 e.v. Dit standpunt werd onlangs gehonoreerd in een uitspraak die werd gepubliceerd als ECLI:NL:RBMNE:2026:635, r.o. 13.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het feit dat de verbalisant op hetzelfde moment zowel een boete heeft uitgeschreven voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat als voor het niet beschikken over het juiste rijbewijs, maakt niet dat deze gedragingen elkaar uitsluiten. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De boete dient daarom met 25% gematigd te worden.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Een mobiel elektronisch apparaat vasthouden tijdens het besturen van een voertuig mag nooit, ongeacht de manier van gebruik. De verboden gedraging behoort tot het risico van betrokkene. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd wel aanleiding om de boete te matigen. Daarbij is van belang dat in dezelfde situatie meerdere boetes aan betrokkene zijn opgelegd. Gelet daarop acht de kantonrechter matiging van de sanctie uit een oogpunt van redelijkheid aangewezen. De boete zal worden gematigd tot € 150,-.
Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Vanwege de matiging van de boete komen de proceskosten van het beroep bij de kantonrechter voor vergoeding in aanmerking. De proceskosten die zijn gemaakt in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie komen niet voor vergoeding in aanmerking (zie ECLI:NL:GHARL:2025:226, overweging 6).
Ten aanzien van de door de huidige gemachtigde verrichte proceshandeling geldt bovendien het volgende. De wetgever heeft het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel er onder meer uit bestaat dat wordt opgetreden op basis van
no cure no pay. Gevallen die kennelijk dit kenmerk niet hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Dat volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985, punt 5.2 en 5.3. De huidige gemachtigde van de betrokkene is advocaat. Aan advocaten is het verlenen van rechtsbijstand op basis van
no cure no paybuiten twee zeer specifiek omschreven gevallen verboden, op zowel nationaal als Europees niveau. Dat volgt uit artikel 7.7 van de Verordening op de advocatuur van het college van afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten en uit paragraaf 3.3 van de Code of conduct for european lawyers van de Council of Bars and Law Societies of Europe. Uit de hoedanigheid van de gemachtigde als advocaat volgt dat hij aan de betrokkene geen rechtsbijstand verleent op basis van
no cure no payen dat ten aanzien van de door hem verrichte proceshandeling ook op die grond geldt dat sprake is van een bijzonder geval waarin de wegingsfactor van 0,25 of 0,10 niet moet worden toegepast.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
beroepschrift 1 punt + zitting 1 punt = 2 punten x gewicht 0,5 x € 934,- = € 934,00.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 150,-, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 230,-, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: