Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de integrale herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over 2018 en 2019, ingediend op 11 november 2024. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes weken, vermeerderd met een verlenging van zes weken, een besluit genomen. Eiseres stelde verweerder op 31 maart 2025 in gebreke, waarna zij binnen twee weken beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn voorschrijft. Omdat deze termijn nog niet is verstreken, geldt in dit geval een beslistermijn tot uiterlijk 31 maart 2026.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt tevens verplicht het griffierecht van €53 aan eiseres te vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 22 januari 2026.