ECLI:NL:RBZWB:2026:3792

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
10285420 \ CV EXPL 23-167 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 198 lid 3 RvVerordening EU Nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling lening na bevestiging authenticiteit betwiste handtekening

In deze civiele bodemzaak stond centraal of tussen eiser en gedaagde een geldleningsovereenkomst was gesloten, waarbij gedaagde de authenticiteit van zijn handtekening op het document betwistte. De bewijslast lag bij eiser, die een handtekeningdeskundige inschakelde. De deskundige concludeerde dat het waarschijnlijker was dat de handtekening en parafen authentiek waren, mede omdat gedaagde onvoldoende referentiemateriaal aanleverde en het onderzoek belemmerde.

Gedaagde voerde verweer dat de handtekening gemanipuleerd zou zijn en dat het geleende bedrag niet was ontvangen, maar deze stellingen werden door de kantonrechter niet aannemelijk geacht. De kantonrechter volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat de handtekening authentiek is en dat gedaagde het volledige bedrag van €16.000,00, inclusief rente van €2.500,00, moet terugbetalen.

Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €1.131,35 en proceskosten van €9.894,24 toegewezen aan eiser. Het verzoek om een certificaat voor tenuitvoerlegging in België werd eveneens toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €16.000 met rente en kosten wegens authentieke handtekening op geldleningsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10285420 \ CV EXPL 23-167
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G. Boot.

1.De zaak in het kort

In deze zaak moet de kantonrechter beoordelen of tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst van geldlening is gesloten. [gedaagde] heeft betwist dat de handtekening op de overeenkomst van hem is. Op [eiser] rust daarom de bewijslast van de authenticiteit van deze handtekening. In verband daarmee is een handtekeningdeskundige ingeschakeld. De kantonrechter oordeelt naar aanleiding van het deskundigenrapport dat [eiser] voldoende bewijs heeft geleverd dat de overeenkomst door [gedaagde] is ondertekend en is voorzien van zijn parafen. Daarbij baseert zij zich op de waarschijnlijkheidsconclusies van de deskundige en weegt zij mee dat [gedaagde] onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek, doordat hij (nagenoeg) geen referentiemateriaal heeft toegestuurd. Op grond daarvan wordt de vordering tot terugbetaling van het geleende bedrag aan [eiser] toegewezen.

2.De verdere procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 mei 2025
- het aanvullend deskundigenbericht van 5 december 2025
- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]
- de antwoordconclusie van [gedaagde] .
2.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis wordt gewezen.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De kantonrechter volhardt bij alles wat is overwogen en beslist in de tussenvonnissen van 25 oktober 2023, 14 februari 2024, 19 maart 2025 en 14 mei 2025. In het tussenvonnis van 25 oktober 2023 heeft de kantonrechter geoordeeld dat op [eiser] de bewijslast rust van de echtheid van de handtekening en de parafen op de door haar overgelegde overeenkomst van geldlening van 22 augustus 2018, omdat [gedaagde] primair betwist dat deze van hem is. Vervolgens is als deskundige de heer ing. [deskundige], schriftexpert, documentdeskundige en forensisch onderzoeker bij Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau B.V. benoemd, die een onderzoek en, na ontvangst van aanvullend referentiemateriaal, een nader onderzoek heeft uitgevoerd.
De deskundige heeft waarschijnlijkheidsconclusies gegeven
3.2.
De deskundige heeft de onderzoeken uitgevoerd aan de hand van de volgende vragen:
Kunt u vaststellen of, en zo ja met welke mate van zekerheid, de handtekening onderaan het door [eiser] ingebrachte stuk afkomstig is van [gedaagde] ?
Kunt u vaststellen of, en zo ja met welke mate van zekerheid, de aantekening ‘kontant ontvangen € 10.000,-’ onderaan het door [eiser] ingebrachte stuk afkomstig is van [gedaagde] ?
Kunt u vaststellen of, en zo ja met welke mate van zekerheid, de parafen onderaan pagina 1 en 2 en de paraaf onder de aantekening ‘kontant ontvangen € 10.000,-’ op het door [eiser] ingebrachte stuk afkomstig zijn van [gedaagde] ?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
De eindconclusies van de deskundige naar aanleiding van de onderzoeken zijn als volgt:
“1. De bevindingen van het onderzoek zijnwaarschijnlijkerwanneerde betwiste handtekeningeen authentieke handtekening betreft van [gedaagde] dan wanneer dit niet het geval is.
2. De bevindingen van het onderzoek zijnveel waarschijnlijkerwanneerde betwiste parafenauthentieke parafen betreffen van [gedaagde] dan wanneer dit niet het geval is.
3. De bevindingen zijnongeveer even waarschijnlijkwanneerde notitiesdoor [gedaagde] zijn geschreven als wanneer ze door een willekeurige andere persoon zijn geschreven.”
In verband met de vierde vraag heeft de deskundige onder meer opgemerkt:
“Volgens opgave van de heer [gedaagde] kan hij niet schrijven met zijn dominante hand en is er geen enkel document meer uit het verleden beschikbaar waarop zijn handtekening voorkomt toen hij nog met zijn rechterhand kon schrijven.
Echter, er zijn nog mogelijkheden om aan onderzoeksmateriaal te komen. Hierbij kan worden gedacht aan ex-partner(s) en instanties of bedrijven.”
3.3.
In haar conclusie na het laatste deskundigenbericht heeft [eiser] aangegeven dat volgens haar gelet op de conclusies van de deskundige voldoende vast staat dat de handtekening en parafen van [gedaagde] afkomstig zijn. Daarbij merkt zij op dat [gedaagde] zelf geen stukken heeft aangedragen die het tegendeel bewijzen en heeft nagelaten om stukken op te vragen bij instanties of derden om deze ook door de deskundige te laten onderzoeken.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie na het laatste deskundigenbericht aangegeven dat hij de conclusie van de deskundige niet deelt. Ten eerste is volgens hem de handtekening van het aanvullende referentie-materiaal niet origineel, maar een ‘ingescande’ handtekening. Hiermee kan volgens [gedaagde] niet worden bewezen dat het document door hem is ondertekend. Ten tweede is volgens [gedaagde] cruciaal dat hij expliciet moet erkennen dat het referentiemateriaal zijn handtekening bevat, wat hij ook met het NFI heeft gecommuniceerd. Daarbij verwijst [gedaagde] naar pagina 29 van het eerste onderzoek van de deskundige, waar de deskundige volgens hem schrijft
“dat [gedaagde] dient te erkennen dat het referentie-materiaal zijn handtekening bevat”. [gedaagde] merkt tot slot op dat [eiser] in strijd met de goede procesorde nog aanvullende stukken mocht inbrengen, terwijl dit voor [gedaagde] werd geweigerd.
De kantonrechter volgt het deskundigenoordeel
3.4.
Ten aanzien van het inbrengen van aanvullende stukken, heeft [gedaagde] niet toegelicht in verband met welke stukken volgens hem sprake is van strijd met de goede procesorde. Voor zover [gedaagde] daarmee bedoelt het referentiemateriaal dat [eiser] nog heeft overgelegd ten behoeve van het nadere onderzoek, merkt de kantonrechter op dat daarover in het tussenvonnis al is geoordeeld. [gedaagde] heeft zelf geen nader referentiemateriaal ingebracht. De kantonrechter ziet op grond hiervan geen aanleiding om op dit punt een andere of nadere beoordeling te geven.
3.5.
In verband met de bruikbaarheid van het referentiemateriaal dat [eiser] heeft overgelegd ten behoeve van het nadere onderzoek, constateert de kantonrechter dat de door [gedaagde] geciteerde zin van de deskundige niet overeenkomt met wat in het rapport staat. De deskundige heeft daarin op pagina 29 geschreven:
“Dan dient wel het referentiemateriaal erkend te worden als zijnde geschreven door [gedaagde] ”. Los van het feit dat daaruit niet volgt dat voor de bruikbaarheid van het materiaal voor onderzoek [gedaagde] dit zelf expliciet moet erkennen, is het aan de kantonrechter om dit in het kader van het uit te voeren onderzoek te beoordelen. Daar heeft de deskundige [gedaagde] overigens ook al op gewezen (pagina 35 van het deskundigenrapport). Op dit punt heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 14 mei 2025 onder rechtsoverweging 2.7 al geoordeeld. Tot slot heeft de deskundige in het onderzoek rekening gehouden met het feit dat het bij het aanvullende referentiemateriaal gaat om ingescande stukken (reproducties). Dit is daarom geen reden om het referentiemateriaal niet in het onderzoek mee te nemen. De kantonrechter ziet op grond hiervan geen aanleiding om van haar eerdere beoordeling af te wijken, zodat het referentiemateriaal moet worden aangemerkt als door [gedaagde] geproduceerd en in het onderzoek kan worden meegenomen.
3.6.
[gedaagde] heeft verder geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de conclusies van de deskundige. Ook overigens ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van de beoordeling van de deskundige, zodat de kantonrechter deze volgt.
Het is bewezen dat de handtekening op de overeenkomst van [gedaagde] is
3.7.
In verband met de beoordeling van de handtekeningen heeft de deskundige aangegeven (pagina 23 van het deskundigenrapport) dat er slechts drie referentiehandtekeningen en een slechte kopie van een handtekening uit een verlopen paspoort zijn en dat om de variatie binnen de handtekeningen te kunnen vaststellen, meer handtekeningen nodig zijn in deze uitvoering. Daarom kon de deskundige alleen een mate van waarschijnlijkheid aangeven. Het is volgens hem ‘waarschijnlijker’ dat de handtekening op de overeenkomst afkomstig is van [gedaagde] dan van iemand anders.
Een waarschijnlijkheidsconclusie ‘waarschijnlijker’ leidt niet automatisch tot het oordeel dat daarmee het benodigde bewijs is geleverd. Op grond van de bijkomende omstandigheden is de kantonrechter echter van oordeel dat de bewijswaardering ertoe leidt dat er voldoende bewijs is dat de handtekening op de overeenkomst van [gedaagde] komt. Daarbij overweegt de kantonrechter het volgende.
3.8.
De deskundige heeft beoordeeld dat het bij de parafen ‘veel waarschijnlijker’ is dat deze afkomstig zijn van [gedaagde] dan van iemand anders. Daarbij heeft de deskundige aangegeven dat voor de parafen wel veel referentiemateriaal aanwezig was. De kantonrechter is van oordeel dat daarmee voldoende aannemelijk is dat de parafen op de overeenkomst van [gedaagde] zijn, zodat daarvan moet worden uitgegaan.
De paraaf van [gedaagde] staat zowel op pagina 1 als 2 van de overeenkomst, onderaan de pagina’s. Ook op de (derde) laatste pagina staat een paraaf van [gedaagde] . Deze paraaf is echter niet onderaan de pagina gezet, maar halverwege bij de notitie
“kontant ontvangen € 10.000,-”. De kantonrechter is van oordeel dat het, in combinatie met de conclusie van de deskundige over de handtekening, daarom aannemelijk is dat de net boven deze notitie en paraaf onder het kopje ‘
schuldenaar’ bij de naam [gedaagde] geschreven handtekening ook van [gedaagde] is.
3.9.
Daarnaast blijkt niet dat [gedaagde] voldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek door de deskundige. Zo heeft de deskundige onder andere op pagina 10 van zijn rapport opgemerkt dat het oudere (inmiddels verlopen) paspoort niet door [gedaagde] in origineel voor het onderzoek ter beschikking werd gesteld. Er was alleen een slechte kopie beschikbaar die [eiser] had overgelegd. Daarbij had [eiser] onbetwist gesteld dat dit oudere paspoort pas verliep op 17 juni 2024, ruim na de datum op de overeenkomst van 22 januari 2018. Op het meest recente paspoort, dat wel beschikbaar was, stond een handtekening met de schrijf-ongewone hand (linkerhand) van [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet toegelicht waarom hij het oudere paspoort niet kon overleggen.
Bovendien verklaart de deskundige in zijn rapport dat voorafgaand aan het onderzoek meerdere pogingen ondernomen zijn om aan adequaat referentiemateriaal te komen van [gedaagde] om het onderzoek mogelijk te maken. Volgens de deskundige heeft [gedaagde] aangegeven dat hij geen beschikking had over oudere documenten, omdat die alle verloren waren gegaan. [gedaagde] heeft echter niet toegelicht waarom hij niet alsnog aan gegevens kon komen, althans blijkt niet dat hij in verband hiermee enige actie heeft ondernomen, bijvoorbeeld door gegevens op te vragen bij instanties. Daarbij heeft [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord onder punt 10 aangegeven dat hij destijds als adviseur is opgetreden en hierdoor zijn handtekening beschikbaar was, maar niet blijkt waarom [gedaagde] hiervan niets meer kon overleggen.
Weliswaar heeft [gedaagde] wel meegewerkt aan de schrijfproef, maar deze was feitelijk niet bruikbaar voor het onderzoek. Daarbij heeft [gedaagde] namelijk, vanwege een eerder ongeval aan zijn rechterhand, met zijn schrijf-ongewone linkerhand geschreven, terwijl zijn schrijf-gewone hand ten tijde van de datum van de overeenkomst zijn rechterhand was.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] door zo te handelen het onderzoek van de deskundige ernstig heeft belemmerd. Daarom maakt de kantonrechter gebruik van haar bevoegdheid om daaraan de gevolgen te verbinden die volgens haar passen [1] en oordeelt de kantonrechter mede op grond hiervan dat de waarschijnlijkheidsconclusie over de handtekening in het voordeel van [eiser] moet worden uitgelegd. Dat betekent dat [eiser] heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat de handtekening op de overeenkomst van geldlening van [gedaagde] is.
Niet blijkt van een gemanipuleerde handtekening van [gedaagde]
3.10.
[gedaagde] heeft subsidiair het verweer gevoerd dat zijn handtekening is gemanipuleerd. Ten eerste heeft hij opgemerkt dat hij in de overeenkomst staat aangemerkt als wonend in België. Daar heeft hij, aldus [gedaagde] , alleen in 2003 gewoond. Het ligt volgens hem voor de hand dat hij nooit zijn fiat zou hebben gegeven aan de overeenkomst met een foutieve woonstede. Ten tweede heeft hij opgemerkt dat het doel van de lening was verbeteringen van zijn woonhuis, waaronder zonnepanelen. [gedaagde] betwist dat hij een lening nodig had en dat hij zonnepanelen heeft aangelegd. Ten derde merkt hij op dat in de overeenkomst is opgenomen dat de overeenkomst een geldleningsovereenkomst van 22.2018 vervangt. [eiser] laat volgens hem na om deze overeenkomst in te brengen. Ook heeft hij betwist dat hij geen hypotheek heeft gekregen, zoals [eiser] wel in een brief van 14 februari 2018 heeft aangegeven. Hij heeft, aldus nog steeds [gedaagde] , hier alleen geen gebruik van gemaakt, omdat hij geen noodzaak zag om geld te lenen. Ook is zijn woning niet verbouwd. Tot slot heeft hij aangevoerd dat zijn handtekening beschikbaar was.
3.11.
Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat het voldoende vaststaat dat de handtekening op de overeenkomst van [gedaagde] is. Daarbij is van belang dat de deskundige de originele overeenkomst van geldlening heeft onderzocht, waarop met ‘natte’ inkt is geschreven. Daarover heeft de deskundige opgemerkt dat
“de betwiste handtekening juist een vlot geschreven indruk[maakt]
, zonder kenmerken van vervalsing,[…]”Daaruit volgt dat geen ingescande handtekening is gebruikt of overigens blijkt van een gemanipuleerde handtekening.
3.12.
[gedaagde] heeft bij zijn verweer dat sprake is van een gemanipuleerde handtekening verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:641). Dit arrest ziet op de vraag wie de bewijslast draagt van de stelling dat een akte vals is, in de zin dat het stuk dat als akte wordt gepresenteerd niet overeenkomt met het stuk dat is ondertekend. Voor zover [gedaagde] met dit verweer bedoelt dat de geldleningsovereenkomst niet overeenkomt met het stuk dat hij heeft ondertekend, heeft hij dit niet, althans onvoldoende gesteld. De enkele omstandigheden dat er een onjuist adres en onjuist doel in de overeenkomst zouden zijn vermeld, zijn daartoe onvoldoende.
3.13.
Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat de handtekening op de overeenkomst van geldlening niet is gemanipuleerd.
[gedaagde] moet het geleende bedrag terugbetalen
3.14.
[gedaagde] heeft betwist dat [eiser] hem het in de overeenkomst van geldlening genoemde bedrag heeft gegeven. Het bedrag van € 6.000,00 dat [eiser] op zijn rekening heeft gestort was volgens hem niet voor de lening zoals bedoeld in de overeenkomst van 22 januari 2018, maar omdat hij (betaalde) werkzaamheden voor enkele leden van een schietvereniging had uitgevoerd. Die werkzaamheden hadden volgens hem mede betrekking op een lening waarbij ook de directeur van Eurac - waarbij [gedaagde] een hypotheekaanvraag had gedaan - partij was. In verband daarmee heeft [gedaagde] zich het recht voorbehouden om bij gelegenheid van de mondelinge behandeling te bewijzen dat hij deze werkzaamheden had verricht. Ten aanzien van het bedrag van € 10.000,00 heeft [gedaagde] aangevoerd dat dit bedrag niet is uitgeschreven en de ‘krabbel’ volgens hem niet kan worden gezien als rechtsgeldige ontvangst van het bedrag.
3.15.
[gedaagde] betwist niet dat hij een bedrag van € 6.000,00 van [eiser] heeft ontvangen op zijn rekening. Op de bankoverschrijving staat vermeld
“ [gedaagde] lening zie getekende contract”. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat zij een bedrag van € 6.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald in het kader van de overeenkomst van geldlening. Het verweer van [gedaagde] dat dit bedrag niet voor deze lening was bedoeld, maar voor het verrichten van werkzaamheden, heeft hij niet, althans onvoldoende onderbouwd. Los van de vraag of hij betaalde werkzaamheden heeft verricht voor (leden van) de schietvereniging, blijkt op geen enkele manier waarom [eiser] in verband daarmee geld aan [gedaagde] zou betalen. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat hij de werkzaamheden voor [eiser] heeft uitgevoerd. Daarom gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.
Voor wat betreft het betalen van een contant bedrag van € 10.000,00 door [eiser] aan [gedaagde] is van belang dat de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de paraaf onder de notitie
“kontant ontvangen € 10.000,”van [gedaagde] is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, blijkt niet waarom het niet in letters uitschrijven van het bedrag betekent dat het bedrag niet ontvangen kan zijn. Overigens is het ook niet aannemelijk dat [gedaagde] zowel een handtekening als een paraaf onder de overeenkomst heeft gezet en dat de notitie later daartussen is gezet. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] dit contante bedrag van [eiser] heeft ontvangen.
3.16.
Daaruit volgt dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij het in de overeenkomst genoemde geleende bedrag ook daadwerkelijk heeft gekregen. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat hij het geldbedrag van € 16.000,00 heeft ontvangen. Dit bedrag moet hij op grond van de overeenkomst terugbetalen. De kantonrechter wijst daarom dit deel van de vordering toe.
[gedaagde] moet een rentebedrag van € 2.500,00 betalen
3.17.
[eiser] maakt ook aanspraak op een bedrag van € 2.500,00. In de overeenkomst is hierover in artikel 3.1 opgenomen
“Over het geleende bedrag is schuldenaar rente aan schuldeiser verschuldigd. Deze rente is vastgesteld op €2.500,-- (zegge vijfentwintighonderd euro). De rente is vastgesteld op € 1.500,-- ( zegge vijfentienhonderd euro) indien op de lening hypothecaire lening zekerheid wordt gegeven”
3.18.
Niet blijkt dat op de lening een hypothecaire lening is gegeven. Voor zover al sprake was van een hypotheek, heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, omdat hij daarvan de noodzaak niet zag. Daaruit volgt dat niet aan de vereisten voor een rentebedrag van € 1.500,00 is voldaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] een rentebedrag van € 2.500,00 moet betalen. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom toewijzen.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke kosten betalen
3.19.
[eiser] vordert ook vergoeding van de buitengerechtelijke kosten die zij heeft gemaakt. Dit bedrag heeft zij gesteld op € 1.131,35 inclusief btw.
In verband hiermee heeft [gedaagde] aangevoerd dat de brieven en sommaties van 26 mei 2018, 15 januari 2019 en 28 oktober 2021 kennelijk niet per aangetekende post of per e-mail zijn gestuurd. Dat vindt [gedaagde] merkwaardig, waarbij hij opmerkt dat de bewijslast voor verzending/goede ontvangst hiervan rust op [eiser] .
3.20.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of ook is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten.
In verband daarmee is van belang dat [eiser] aan [gedaagde] een of meer aanmaningen heeft gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De kantonrechter begrijpt uit wat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij betwist dat hij de door hem genoemde brieven en sommatie heeft gekregen. [eiser] heeft naast deze brieven en sommaties ook een verzoek tot betaling van 14 februari 2018 en een sommatie van 28 november 2022 overgelegd. [gedaagde] heeft de ontvangst van deze beide stukken niet betwist. Daaruit volg dat [gedaagde] in ieder geval één sommatie heeft ontvangen die voldoet aan de wettelijke eisen. Het gevorderde bedrag is ook berekend volgens het toepasselijke Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zodat een bedrag van € 1.131,35 wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.21.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Onder de proceskosten vallen ook de deskundigenkosten. [eiser] heeft de kosten hiervan als voorschot betaald. Het gaat om de volgende kosten:
Kosten vergelijkend schriftonderzoek € 5.505,50
Kosten aanvullend onderzoek
€ 1.694,00
Totale kosten € 7.199,50
De kantonrechter ziet geen aanleiding om voor de uiteindelijke deskundigenkosten af te wijken van het uitgangspunt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, deze kosten moet betalen. Dat betekent dat [gedaagde] de deskundigenkosten moeten betalen.
De totale proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
129,74
- griffierecht
693,00
- salaris gemachtigde
1.728,00
(4 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
- deskundigenkosten
7.199,50
Totaal
9.894,24
3.22.
[eiser] heeft verzocht om een certificaat af te geven conform artikel 53 van Pro de Verordening EU Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, omdat [gedaagde] eigenaar is van onroerende zaken in België. [gedaagde] heeft erkend dat hij in ieder geval 1 jaar in België heeft gewoond en hij heeft niet betwist dat hij daar (nog) onroerend goed heeft. Daarom wijst de kantonrechter dit verzoek van [eiser] toe.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van
  • € 16.000,00, zijnde de terugbetaling van de lening
  • € 2.500,00, zijnde het overeengekomen vaste rentebedrag van € 2.500,00
  • € 1.131,35 aan incassokosten,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 9.894,24 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op
22 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel. 198 lid 3 Rv Pro (oud)