Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.De verdere procedure
- het aanvullend deskundigenbericht van 5 december 2025
3.De verdere beoordeling
“Volgens opgave van de heer [gedaagde] kan hij niet schrijven met zijn dominante hand en is er geen enkel document meer uit het verleden beschikbaar waarop zijn handtekening voorkomt toen hij nog met zijn rechterhand kon schrijven.
“dat [gedaagde] dient te erkennen dat het referentie-materiaal zijn handtekening bevat”. [gedaagde] merkt tot slot op dat [eiser] in strijd met de goede procesorde nog aanvullende stukken mocht inbrengen, terwijl dit voor [gedaagde] werd geweigerd.
“Dan dient wel het referentiemateriaal erkend te worden als zijnde geschreven door [gedaagde] ”. Los van het feit dat daaruit niet volgt dat voor de bruikbaarheid van het materiaal voor onderzoek [gedaagde] dit zelf expliciet moet erkennen, is het aan de kantonrechter om dit in het kader van het uit te voeren onderzoek te beoordelen. Daar heeft de deskundige [gedaagde] overigens ook al op gewezen (pagina 35 van het deskundigenrapport). Op dit punt heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 14 mei 2025 onder rechtsoverweging 2.7 al geoordeeld. Tot slot heeft de deskundige in het onderzoek rekening gehouden met het feit dat het bij het aanvullende referentiemateriaal gaat om ingescande stukken (reproducties). Dit is daarom geen reden om het referentiemateriaal niet in het onderzoek mee te nemen. De kantonrechter ziet op grond hiervan geen aanleiding om van haar eerdere beoordeling af te wijken, zodat het referentiemateriaal moet worden aangemerkt als door [gedaagde] geproduceerd en in het onderzoek kan worden meegenomen.
“kontant ontvangen € 10.000,-”. De kantonrechter is van oordeel dat het, in combinatie met de conclusie van de deskundige over de handtekening, daarom aannemelijk is dat de net boven deze notitie en paraaf onder het kopje ‘
schuldenaar’ bij de naam [gedaagde] geschreven handtekening ook van [gedaagde] is.
“de betwiste handtekening juist een vlot geschreven indruk[maakt]
, zonder kenmerken van vervalsing,[…]”Daaruit volgt dat geen ingescande handtekening is gebruikt of overigens blijkt van een gemanipuleerde handtekening.
“ [gedaagde] lening zie getekende contract”. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] hiermee voldoende heeft onderbouwd dat zij een bedrag van € 6.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald in het kader van de overeenkomst van geldlening. Het verweer van [gedaagde] dat dit bedrag niet voor deze lening was bedoeld, maar voor het verrichten van werkzaamheden, heeft hij niet, althans onvoldoende onderbouwd. Los van de vraag of hij betaalde werkzaamheden heeft verricht voor (leden van) de schietvereniging, blijkt op geen enkele manier waarom [eiser] in verband daarmee geld aan [gedaagde] zou betalen. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat hij de werkzaamheden voor [eiser] heeft uitgevoerd. Daarom gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.
“kontant ontvangen € 10.000,”van [gedaagde] is. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, blijkt niet waarom het niet in letters uitschrijven van het bedrag betekent dat het bedrag niet ontvangen kan zijn. Overigens is het ook niet aannemelijk dat [gedaagde] zowel een handtekening als een paraaf onder de overeenkomst heeft gezet en dat de notitie later daartussen is gezet. Daarom is de kantonrechter van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde] dit contante bedrag van [eiser] heeft ontvangen.
“Over het geleende bedrag is schuldenaar rente aan schuldeiser verschuldigd. Deze rente is vastgesteld op €2.500,-- (zegge vijfentwintighonderd euro). De rente is vastgesteld op € 1.500,-- ( zegge vijfentienhonderd euro) indien op de lening hypothecaire lening zekerheid wordt gegeven”
€ 1.694,00
4.De beslissing
- € 16.000,00, zijnde de terugbetaling van de lening
- € 2.500,00, zijnde het overeengekomen vaste rentebedrag van € 2.500,00
- € 1.131,35 aan incassokosten,
22 april 2026.