Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op haar aanvraag tot herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA. De aanvraag werd op 22 mei 2025 ontvangen, en ondanks ingebrekestelling op 4 november 2025 heeft het UWV nog geen besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV binnen vier maanden na verzending van het vonnis alsnog een besluit moet nemen. Het verzoek van het UWV om een langere beslistermijn van 40 weken wordt afgewezen, maar een termijn van vier maanden wordt als redelijk beschouwd gezien de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en het tekort aan verzekeringsartsen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank stelt de bestuurlijke dwangsom niet vast omdat het UWV al een dwangsombeslissing heeft genomen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om het UWV te bevelen tot betaling van de bestuurlijke dwangsom en verwijst eiseres voor dit verzoek naar de burgerlijke rechter. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 28 april 2026.