Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3622

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/3973
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep WOZ-beschikking ongegrond verklaard

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking over een object, maar trok dit bezwaar later in, waarmee de bezwaarprocedure werd beëindigd.

Na ontvangst van een brief van de heffingsambtenaar stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de heffingsambtenaar na intrekking van het bezwaar niet bevoegd was een uitspraak te doen.

Belanghebbende stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, maar de rechtbank oordeelde dat het verzet ongegrond was. Tevens werd het verzoek om vergoeding van griffierecht, proceskosten en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

De rechtbank benadrukte dat de procedure zonder bestaand geschil werd gestart en dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat de bezwaarprocedure minder dan twee jaar duurde.

De uitspraak van 7 november 2025 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3973

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [persoon 1] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar
.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en namens de heffingsambtenaar mevrouw [persoon 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 november 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
2.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2
Op 4 april 2023 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking betreffende het object [adres] . Belanghebbende heeft het bezwaar op 4 juli 2023 ingetrokken. Hiermee eindigde de bezwaarprocedure bij de heffingsambtenaar.
2.3
Op 28 juli 2023 heeft belanghebbende een brief met als onderwerpregel ‘Uitspraak bezwaarschrift’ ontvangen. Vervolgens is door belanghebbende op 29 juli 2023 beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.4
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is om een uitspraak op bezwaar te doen na de intrekking. De brief van 28 juli 2023 kan daarom niet anders worden opgevat dan een ambtshalve genomen besluit waartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is. De rechtbank heeft het beroep daarom terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en afgedaan zonder zitting.
2.5
Belanghebbende heeft ter zitting verzocht om vergoeding van het griffierecht en de proceskostenvergoeding. Belanghebbende wordt in deze bezwaar- en beroepsprocedure bijgestaan door een professionele gemachtigde. Ter zitting heeft gemachtigde aangegeven dat voor hem duidelijk was dat deze procedure tot niets kon leiden, maar dat het doel van deze procedure was om in andere procedures aan te tonen hoe onzorgvuldig de heffingsambtenaar te werk gaat. Aangezien belanghebbende de procedure dus is gestart zonder dat er nog een geschil bestond ten aanzien van het primaire besluit of daarbij horende beslissingen, ziet de rechtbank in de gang van zaken geen aanleiding om een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten te gelasten.
Immateriële schadevergoeding
2.6
Gemachtigde heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding aangezien tussen het indienen van het bezwaar en het intrekken van het bezwaar – waarmee een einde is gekomen aan het geschil tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar – een periode van minder dan twee jaar is verstreken. De redelijke termijn is dus niet overschreden.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).