ECLI:NL:RBZWB:2026:361

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
RK 25-026674
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding rechtsbijstand na intrekking klaagschrift en teruggave telefoon

Verzoeker diende op 16 oktober 2025 een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten verbonden aan het indienen en behandelen van een klaagschrift. Het klaagschrift was ingediend op 28 augustus 2025 nadat meerdere verzoeken tot teruggave van een in beslag genomen telefoon bij de recherche tevergeefs waren gebleven.

Op 29 augustus 2025 besloot het Openbaar Ministerie tot teruggave van de telefoon, waarna het klaagschrift werd ingetrokken. Ondanks dat het OM het klaagschrift pas op 4 september 2025 ontving, oordeelt de rechtbank dat het klaagschrift heeft bijgedragen aan de teruggave, waardoor verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.

De rechtbank wijst de vergoeding toe van € 917,06 voor kosten rechtsbijstand en € 680,00 als forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift in de raadkamer, in totaal € 1.597,06. De beslissing is genomen door rechter M.H.M. Collombon op 20 januari 2026.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten behandeling klaagschrift wordt toegewezen voor een totaalbedrag van € 1.597,06.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-254210-25
raadkamernummer : 25-026674
datum : 20 januari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [datum] 2009 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. P. van de Kerkhof , advocaat te Tilburg (Tivolistraat 30, 5017 HR Tilburg),
hierna te noemen: verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 16 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 917,06, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving van inbeslagneming van 2 juli 2025
  • het klaagschrift ingediend op 28 augustus 2025;
  • de beslissing tot teruggave van de inbeslaggenomen telefoon aan klager van 29 augustus 2025;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 23 december 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. P. van de Kerkhof als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. De advocaat van verzoeker heeft in raadkamer in aanvulling op het verzoekschrift aangevoerd dat voorafgaand aan het indienen van het klaagschrift er meerdere malen contact is geweest met de recherche, waarbij de teruggave van de telefoon is gevraagd. Dit heeft niet mogen baten, waarna op 28 augustus 2025 een klaagschrift is ingediend. De advocaat zag geen aanleiding om ook een mail naar de afdeling Beslag te sturen nu hij er - gelet op een eerdere mededeling van de recherche dat zij het verzoek tot teruggave zouden voorleggen aan het Openbaar Ministerie - vanuit ging dat de recherche wel in overleg hierover zou treden met het Openbaar Ministerie. Vervolgens is het klaagschrift - nadat door het Openbaar Ministerie op 18 september 2025 kenbaar werd gemaakt dat de telefoon terug kon naar verzoeker - direct ingetrokken. Dat het Openbaar Ministerie het klaagschrift kennelijk pas op 4 september 2025 heeft ontvangen en dat er toen kennelijk ook al een beslissing tot teruggave lag, doet daar niet aan af. Ook na de beslissing tot teruggave heeft het nog twee maanden geduurd alvorens verzoeker zijn telefoon daadwerkelijk heeft teruggekregen. Verzoeker acht het derhalve billijk dat aan hem de verzochte vergoeding wordt toegekend.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het indienen van het klaagschrift niet heeft geleid tot teruggave van de telefoon en dat verzoeker dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaart in zijn verzoek. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat - ter voorkoming van onduidelijkheid en situaties als de onderhavige - het goed is om een verzoek tot teruggave van een goed rechtsreeks te richten aan het Openbaar Ministerie.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift, nadat de beslissing tot teruggave van het in beslag genomen goed was teruggegeven.
Ontvankelijkheid verzoeker
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschrift, nu het indienen van het klaagschrift niet heeft geleid tot teruggave van de telefoon. Gelet op de nadere toelichting door de advocaat in raadkamer deelt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie niet. De rechtbank begrijpt uit de stukken en de toelichting van de raadsman dat het klaagschrift op 28 augustus 2025 is ingediend nadat er meermalen - tevergeefs - bij de recherche is verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen telefoon en dat er op 29 augustus 2025 door het Openbaar Ministerie een beslissing tot teruggave van de telefoon is genomen. Hoewel het Openbaar Ministerie naar eigen zeggen pas op 4 september 2025 kennis heeft genomen van het klaagschrift ziet de rechtbank in hetgeen daaraan vooraf is gegaan wel aanleiding om te concluderen dat het klaagschrift heeft geleid tot teruggave van de telefoon aan klager, zodat zij verzoeker ontvankelijk acht in het verzoekschrift.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat het klaagschrift in behandeling was bij deze rechtbank.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 [1] geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv Pro ook vergoeding gevraagd kan worden van de rechtsbijstandskosten gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van
€ 917,06is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 1.597,06, bestaande uit:
- € 917,06 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 1.597,06zal worden overgemaakt op [rekeningnummer]
ten name van Stg beh Derdengelden Woodrow Van de Kerkhof , onder vermelding van “ [kenmerk] ”.
Deze beslissing is genomen door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 20 januari 2026.
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.