Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3607

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/3961
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen proceskostenvergoeding en afwijzing immateriële schadevergoeding in belastingzaak

Belanghebbende kwam in verzet tegen de uitspraak van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde en de heffingsambtenaar opdroeg een nieuwe beslissing te nemen, alsmede een proceskostenvergoeding toekende. Het verzet richtte zich op de hoogte van de proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de samenhang van zestien zaken terecht was aangenomen, omdat deze gelijktijdig met één beroepschrift waren ingesteld en vrijwel identieke werkzaamheden door dezelfde gemachtigde waren verricht. De proceskostenvergoeding was daarom passend toegekend.

Daarnaast verzocht gemachtigde om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat het financiële belang minder dan € 1.000 bedroeg en dat de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024, waardoor toekenning van immateriële schadevergoeding niet aan de orde was.

De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af, waardoor de uitspraak van 7 november 2025 in stand bleef.

Uitkomst: Het verzet tegen de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar
.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, de heffingsambtenaar heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en een proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende is in verzet gekomen tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [vertegenwoordiger] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de uitspraak van 7 november 2025 heeft de rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De proceskosten zijn toegewezen in zestien zaken die de rechtbank gegrond heeft verklaard. In deze zestien zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake is van samenhangende zaken. Hierdoor heeft belanghebbende een bedrag van € 42,52 toegekend gekregen. Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat de heffingsambtenaar in haar verweerschrift van 12 maart 2024 een hogere proceskostenvergoeding heeft toegekend. Naar de mening van gemachtigde mag de proceskostenvergoeding van de rechtbank dus niet lager zijn. Daarnaast heeft gemachtigde toegelicht dat hij de proceskostenvergoeding onvoldoende acht en dat hij alle cliënten moest contacteren en volmachten moest indienen.
2.1
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.2
De rechtbank is van oordeel dat er terecht samenhang is aangenomen in de zaken. Dit beroep is gelijktijdig ingesteld met diverse andere beroepen door middel van één beroepschrift. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met die andere beroepen, waarin de feiten en stellingen geheel vergelijkbaar zijn. In alle zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde gemachtigde van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek waren. De rechtbank is daarom van oordeel dat er terecht samenhang is aangenomen als bedoeld in artikel 3, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Immateriële schadevergoeding
2.3
Gemachtigde heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
2.4
De Hoge Raad heeft beslist dat in gevallen waarbij het financiële belang minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, de belastingrechter op het verzoek van immateriële schadevergoeding beslist naar bevind van de zaak. [1] Bij het financiële belang wordt geen rekening gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen, ook als een dergelijke beslissingen uitsluitend in geschil is. [2] Het is aan gemachtigde om de feiten te stellen en in geval van betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan de omvang van het financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting. [3] Gemachtigde heeft dit in deze zaak niet aannemelijk gemaakt waardoor de belastingrechter van oordeel is dat het financiële belang minder bedraagt dan € 1.000.
2.5
Het overgangsrecht is niet van toepassing, aangezien de redelijke termijn nog niet was overschreden op 14 juni 2024. [4] De rechtbank ziet dus geen aanleiding voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding in deze zaak.

Conclusie en gevolgen

3. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.4.
2.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.1.
3.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.
4.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.5.