Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3603

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
BRE 23/3959
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging na overlijden belanghebbende

Deze uitspraak betreft het verzet van belanghebbende tegen de hoogte van een proceskostenvergoeding toegekend door de rechtbank in een eerdere uitspraak. Na het overlijden van belanghebbende is gemachtigde gevraagd een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat hij namens de erfgenamen mag optreden. Hoewel een machtiging van de zoon is overgelegd, is geen verklaring van erfrecht aangeleverd, ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank.

Tijdens de zitting op 16 april 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij namens alle erfgenamen optreedt. Hierdoor is het verzet niet-ontvankelijk verklaard en wordt het bestreden besluit in stand gelaten. Tevens is het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, mede omdat gemachtigde niet bevoegd is namens de erfgenamen op te treden.

De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853) als reden om geen immateriële schadevergoeding toe te kennen. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier R.M. Rosta en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging namens de erfgenamen na het overlijden van belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3959

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar
.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 november 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond heeft verklaard, de heffingsambtenaar heeft opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak en een proceskostenvergoeding heeft toegekend. Belanghebbende is in verzet gekomen tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding.
1.1
Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank kennis genomen van het overlijden van de belanghebbende. De rechtbank heeft gemachtigde hierover bericht en verzocht om een machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij mag optreden namens de erfgenamen. Op 5 maart 2026 heeft gemachtigde een machtiging van de zoon van belanghebbende overlegd. Op 6 maart 2026 heeft de rechtbank gemachtigde verzocht om een kopie van de verklaring van erfrecht. Op 9 maart 2026 heeft gemachtigde informatie van het Centrum voor familiegeschiedenis overgelegd. Hieruit is af te lezen dat [persoon] het kind is van belanghebbende. De rechtbank heeft gemachtigde op 12 maart 2026 bericht dat de informatie niet uitsluit dat er meerdere erfgenamen zijn en verzocht gemachtigde nogmaals om een verklaring van erfrecht. Hierop heeft gemachtigde niet gereageerd.
1.2
De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [vertegenwoordiger] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is, omdat gemachtigde niet aannemelijk maakt dat hij namens de erfgena(a)m(en) van belanghebbende optreedt. Het verzuim is niet hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. [1]
2.1
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Vanwege het overlijden van belanghebbende, dient gemachtigde aannemelijk te maken dat hij namens de erfgena(a)m(en) mag optreden. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaren. [2]
2.2
Zowel voorafgaand als tijdens de zitting heeft gemachtigde geen verklaring van erfrecht overgelegd noch op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij mag optreden namens de erfgena(a)m(en). Gesteld gemachtigde heeft als reden gegevens dat de zoon van belanghebbende enig kind is en een verklaring van erfrecht tijdens de afwikkeling van de erfenis niet nodig had. De rechtbank kan op basis van de aangeleverde informatie niet uitsluiten dat de zoon van belanghebbende enig erfgenaam is.
Immateriële schadevergoeding
2.3
Gemachtigde heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
2.4
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van een vergoeding. Aangezien niet vast staat dat gemachtigde mag optreden namens de erfgena(a)m(en), kan hij namens hen ook geen verzoek tot vergoeding van immateriële schade doen. Ook overigens is er geen aanleiding tot het toekennen van een immateriële schadevergoeding gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.