Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3567

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
25/2980
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 17 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 30c Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde internetverkoop

Eiser ontving sinds oktober 2021 bijstand en bijzondere bijstand voor bewindvoering. Het college ontdekte dat eiser via Marktplaats op grote schaal fietsen en andere goederen verkocht zonder dit te melden, wat leidde tot een onderzoek met waarnemingen, bankafschriften en Marktplaatsgegevens.

Het college trok de bijstand over de periode juli 2023 tot september 2024 in en vorderde te veel betaalde bedragen terug. Eiser voerde aan dat hij recht had op bijstand en voldoende bewijs had geleverd, maar kon geen sluitende administratie overleggen.

De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door de omvangrijke handel niet te melden. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, hij kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde internetverkoop en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2980

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de algemene en bijzondere bijstand van eiser op grond van de Participatiewet. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstand terecht heeft ingetrokken en van eiser heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 november 2024 (primair besluit I) heeft het college het recht op bijstand van eiser over de periode van 28 januari 2023 tot en met 10 september 2024 herzien en teruggevorderd.
2.1.
Met het besluit van 18 november 2024 (primaire besluit II) heeft het college de bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering en eigen bijdrage CAK over de periode van 28 januari 2023 tot en met 10 september 2024 herzien en teruggevorderd.
2.2.
Met het besluit van 19 november 2024 (primaire besluit III) heeft het college de ten onrechte betaalde bijstand van totaal € 26.106,76 over de periode 28 januari 2023 tot en met 10 september 2024 teruggevorderd.
2.3.
Met het bestreden besluit van 17 april 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen deze drie besluiten deels gegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat ‘herziening’ moet worden gelezen als ‘intrekking’. De intrekking over de periode van 28 januari 2023 tot en met 30 juni 2023 komt te vervallen. Daarmee vervalt ook de terugvordering over deze periode. Dat betekent dat het bedrag van de terugvordering verlaagd wordt tot € 17.533,37 totaal.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. I.A.C. Cools als waarnemend gemachtigde en namens het college mr. [vertegenwoordiger college] .
2.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie over zijn handelsactiviteiten te overleggen. Ter zitting hebben beide partijen ermee ingestemd dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak kan doen.
2.7.
Eiser heeft de rechtbank op 4 februari 2026 bericht dat hij geen nadere stukken kan overleggen. Op 22 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving sinds 6 oktober 2021 een bijstandsuitkering. Hij staat onder beschermingsbewind en ontving bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. In mei 2024 ontving het college een melding dat eiser fietsen opkoopt, opknapt en verkoopt. Naar aanleiding daarvan heeft het college een onderzoek ingesteld. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van 31 oktober 2025.
3.1.
In de periode van 27 mei 2024 tot en met 21 augustus 2024 zijn een zestal waarnemingen verricht. Hierbij werd gezien dat er in de directe omgeving een grote hoeveelheid fietsen gestald zijn. De meeste fietsen zijn met een kettingslot als tweetal aan elkaar vastgemaakt.
3.2.
De leefbaarheidsconsulent van WonenBreburg heeft het volgende verteld. Eiser heeft enige tijd reparatiewerkzaamheden verricht in de gezamenlijke ruimte waar medebewoners hun scootmobiel stallen. Hij is later met een compagnon op het binnenterrein of bij [huisnummer] fietsen gaan repareren, omdat hij deze werkzaamheden niet meer in de gezamenlijke ruimte mocht uitvoeren. Verder hebben buurtbewoners meerdere meldingen gemaakt van het feit dat eiser de meeste stallingsmogelijkheden (blauwe beugels) in de directe omgeving gebruikt om zijn fietsen te stallen. Tot slot heeft de consulent verklaard dat eiser fietsen verkoopt op de hoek van de straat ter hoogte van de [straat 1] naar de [straat 2] , doorgaans in de avonduren of weekenden.
3.3.
Verder zijn afschriften opgevraagd van eisers bankrekeningen. Daaruit blijkt dat eiser gelden ontvangt van derden die lijken te duiden op betalingen voor goederen die hij op Marktplaats heeft gezet.
3.4.
De rapporteur heeft gegevens van Marktplaats opgevraagd. Hieruit blijkt dat eiser over vier accounts beschikt. Over de periode van 28 januari 2023 tot en met 17 augustus 2024 heeft eiser 340 advertenties geplaats voor een waarde van in totaal € 28.983,00.
3.5.
Tot slot heeft er een gesprek met eiser plaatsgevonden op 12 september 2024. Eiser verklaarde onder meer dat een vriend van hem, [persoon] , voetbalshirts verkoopt via Marktplaats.
3.6.
Vervolgens heeft eiser de kans gekregen om een administratie aan te leveren. Hij heeft onder meer bankafschriften, verzendbewijzen van PostNL, inkoopbonnen van La Poubelle en de King Cash Shop en een A4’tje met een aantal berekeningen, ingeleverd.
3.7.
Deze onderzoeksbevindingen hebben geleid tot de in de inleiding weergegeven besluitvorming.
Het standpunt van het college
4. Het college stelt dat uit het onderzoek is gebleken dat eiser zich bezighoudt met internethandel via Marktplaats die hij niet aan het college heeft gemeld. Daardoor heeft hij de inlichtingenplicht geschonden en als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de periode van 1 juli 2023 tot en met 10 september 2024 niet worden vastgesteld. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, als hij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, wel recht op bijstand zou hebben gehad. Volgens verweerder is eiser daarin niet geslaagd. De overgelegde stukken geven geen compleet beeld. Gezien de omvang van het aantal advertenties binnen een relatief kort tijdsbestek en de aard van de aangeboden goederen is volgens het college geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen, maar van op geld waardeerbare internethandel. Er is onvoldoende informatie om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen.
Het standpunt van eiser
5. Eiser stelt dat hij recht had op (aanvullende) bijstand en voldoende bewijs heeft geleverd om dit aan te tonen. Hij heeft aangetoond dat hij naast zijn uitkering geen andere inkomsten had en heeft bonnetjes overgelegd van de gemaakte kosten, zoals inkoop- en verzendkosten. Uit zijn bankafschriften blijkt welke inkomsten hij uit verkoop heeft gehad. Volgens eiser is het besluit tot intrekking en terugvordering van de uitkering daarom onterecht.
5.1.
Subsidiair betoogt hij dat het college op basis van de aangeleverde gegevens het recht op bijstand schattenderwijs had moeten vaststellen, bijvoorbeeld door per maand te kijken naar de advertenties en inkoopbonnen. Ook als het college uitgaat van verkoopprijzen zonder kosten mee te rekenen, zou er in sommige maanden nog recht zijn geweest op aanvullende bijstand. Advertenties waarin meerdere fietsen tegelijk worden aangeboden zijn bedoeld als verzameladvertenties en moeten volgens eiser niet meegeteld worden bij de verkoopopbrengst.
5.2.
Tot slot stelt eiser dat het volledig intrekken en terugvorderen van de uitkering onevenredig en disproportioneel is, omdat de nadelige gevolgen voor hem niet in verhouding staan tot het doel van het besluit.
Bewijslastverdeling
6. Voorop staat dat het hier gaat om een voor eiser belastend besluit, namelijk de intrekking van het recht op bijstand, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast in beginsel niet op eiser maar op het college rust. Het ligt dus op de weg van het college om aannemelijk te maken dat eiser heeft verzuimd informatie te verstrekken over zijn inkomsten uit zelfstandige activiteiten op Marktplaats, waarbij hij zijn inlichtingenplicht zou hebben geschonden.
6.1.
Het geding spitst zich toe op de vraag of er sprake is van Marktplaatshandel en of eiser zijn inlichtingenverplichting over deze handel heeft geschonden, zodat het recht op bijstand niet meer is vast te stellen, ook niet schattenderwijs.
Heeft eiser zijn inlichtingenplicht geschonden?
7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is het voor ontvangers van een bijstandsuitkering niet verboden om goederen via internet te verkopen, op voorwaarde dat dit en de daaruit verkregen inkomsten op tijd worden gemeld aan het college. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat dat in beginsel niet hoeft te worden gemeld.
7.1.
Uit het rapport van 31 oktober 2024 blijkt dat gedurende de beoordelingsperiode via vier accounts van eiser in totaal 333 advertenties op Marktplaats zijn geplaatst. Daarin zijn verschillende soorten artikelen te koop aangeboden, waaronder fietsen, audioapparatuur en voetbalshirts. Gelet op met name de omvang van de activiteiten en de soort producten op Marktplaats is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen, maar van op geld waardeerbare activiteiten.
7.2.
Het had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de handel via Marktplaats van invloed kon zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Hij had deze activiteiten daarom destijds uit zichzelf en volledig moeten melden bij het college. Door dit niet te doen heeft eiser de inlichtingenverplichting geschonden.
Kan het recht op bijstand worden vastgesteld?
8. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op bijstand zou hebben gehad. Indien de door de betrokkene aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben op basis van de vaststaande feiten.
8.1.
Eiser heeft geprobeerd zijn inkomsten aan de hand van de overgelegde bonnetjes en bankafschriften duidelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. De overgelegde stukken, waaronder bonnen, bankafschriften en marktplaatsadvertenties, vormen geen deugdelijke en sluitende administratie. Deze stukken zijn onvoldoende om vast te kunnen stellen hoe hoog de inkomsten zijn geweest. Daarbij komt dat eiser ook contant geld heeft ontvangen voor zijn verkopen, zodat niet aan de hand van bankafschriften schattenderwijs een berekening kan worden gemaakt. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij 15 fietsen heeft verkocht voor € 30,00 per stuk. Deze stelling wordt door geen enkele vorm van administratie onderbouwd. Eiser heeft geen kasboek of andere vorm van administratie of boekhouding bijgehouden. Er zijn verder onvoldoende aanknopingspunten om schattenderwijs tot een vaststelling van het recht op bijstand te komen. Eiser heeft ook geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om na de zitting nadere stukken over zijn handelsactiviteiten te overleggen. Door het schenden van de inlichtingenplicht en het nalaten een deugdelijke administratie bij te houden, heeft eiser het risico genomen dat hij achteraf niet meer kan beschikken over bewijsstukken om de omvang van de werkzaamheden of de hoogte van de inkomsten aannemelijk te maken. De gevolgen daarvan moeten voor zijn rekening blijven. [1]
Heeft het college de uitkering terecht ingetrokken?
9. Nu het recht op bijstand niet is vast te stellen als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet gehouden de bijstand in te trekken. Het college heeft de algemene bijstandsuitkering en verstrekte bijzondere bijstand van eiser naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht ingetrokken over de periode van 1 juli 2023 tot en met 10 september 2024.
Heeft het college terecht de te veel betaalde bijstand teruggevorderd?
10. Het college was verplicht de te veel betaalde bijstand terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet. Niet is gebleken van dringende redenen om de terugvordering te matigen of daarvan af te zien. Tegen de berekening van de hoogte van de terugvordering zijn ook geen beroepsgronden gericht.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiser niets verandert. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H Meulensteen, griffier, op 30 april 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 17
1. De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54
3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2563 en van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:625