Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3487

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/1581
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV binnen vier maanden beslissing op bezwaar WIA-uitkering te nemen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen een beslissing over een WIA-uitkering van 28 juni 2024. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien het UWV de beslistermijn heeft overschreden en de ingebrekestelling van 4 augustus 2025 is ontvangen.

Het UWV heeft aangegeven dat de vertraging wordt veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen, en wijst het verzoek van het UWV om een langere termijn af, evenals het verzoek van eiser om een kortere termijn.

Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van € 100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt het UWV op binnen vier maanden na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het UWV binnen vier maanden een beslissing op bezwaar te nemen en legt een dwangsom op bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Akdeniz),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar tegen de beslissing van 28 juni 2024 over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat de termijn waarbinnen het UWV moet beslissen inmiddels voorbij is. Eiser heeft het UWV op 4 augustus 2025 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op dezelfde dag ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbijgegaan.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
In het verweerschrift van 27 maart 2026 heeft het UWV aangegeven dat de beslistermijn is overschreden, omdat het UWV te kampen heeft met een groot tekort aan verzekeringsartsen. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer een beslissing op het bezwaar zal worden genomen. Het UWV vraagt om een beslistermijn op te leggen van 30 weken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen, en verwijst naar twee uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [2]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank gaat niet mee in het verzoek van het UWV om een (nog) langere beslistermijn op te leggen. Evenmin honoreert zij het verzoek van eiser om een beslistermijn van vier weken op te leggen.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 28 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.