Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen een beslissing over een WIA-uitkering van 28 juni 2024. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien het UWV de beslistermijn heeft overschreden en de ingebrekestelling van 4 augustus 2025 is ontvangen.
Het UWV heeft aangegeven dat de vertraging wordt veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen, en wijst het verzoek van het UWV om een langere termijn af, evenals het verzoek van eiser om een kortere termijn.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van € 100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt het UWV op binnen vier maanden na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed.