De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzet van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het beroep tegen beslaglegging. De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de rechtbank onbevoegd is, mede vanwege onduidelijkheid over de aard van de in rekening gebrachte rente in een brief van 4 maart 2025.
Vervolgens deed de rechtbank ook uitspraak op het beroep zelf. De rechtbank bevestigde dat zij niet bevoegd is om te oordelen over beslaglegging, aangezien dit een civiele kwestie betreft. Voor zover het beroep betrekking heeft op invorderingsrente, moet eerst bezwaar worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is.
Omdat onduidelijk is of de rente invorderingsrente betreft en of bezwaar is gemaakt, draagt de rechtbank het beroepschrift door als bezwaarschrift aan de invorderingsambtenaar. Belanghebbende is correct uitgenodigd voor de zitting, maar is niet verschenen. Er zijn geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
De uitspraak van 23 januari 2026 vervalt door het gegrond verklaren van het verzet. Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk voor zover het betreft het beroep, niet voor het verzet. De rechtbank doet geen inhoudelijke beoordeling van de zaak.