Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit van 21 januari 2025. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, aangezien het UWV de beslistermijn heeft overschreden ondanks een ingebrekestelling op 8 oktober 2025.
Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten is aan een tekort aan verzekeringsartsen en verzocht om een beslistermijn van 30 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen, maar wijst het verzoek voor een langere termijn af.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100 per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Omdat het UWV al een dwangsombesluit heeft genomen, stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet vast.
Daarnaast moet het UWV het griffierecht van € 54 en proceskosten van € 467 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 21 april 2026.