Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3429

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 april 2026
Zaaknummer
C/02/444782 FA RK 26-643
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Holierhoek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en raadsonderzoek in omgangszaak minderjarige

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2020, hebben een conflict over de zorg- en contactregeling. De vrouw verzoekt een uitbreiding van de omgangsregeling, terwijl de man bezwaren heeft vanwege vermeend middelengebruik van de vrouw en aanwezigheid van een persoon met geweldsverleden bij contactmomenten.

De rechtbank constateert een slechte communicatie en spanning tussen partijen, wat niet in het belang is van het kind. De vrouw heeft onvoldoende overtuigend bewijs geleverd dat zij geen drugs gebruikt en niet voldoet aan de voorwaarden omtrent afwezigheid van de genoemde persoon.

De rechtbank wijst het verzoek tot uitbreiding van de zorgregeling af, maar bepaalt een contactmoment op zaterdag van 12:00 tot 17:00 uur bij de vrouw. Tevens wordt de Raad voor de Kinderbescherming gelast een onderzoek in te stellen naar de beste zorgverdeling en eventuele contra-indicaties.

De man wordt niet veroordeeld tot dwangsom omdat hij de huidige regeling nakomt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het rapport van de Raad moet voor 14 juli 2026 worden ingediend ten behoeve van de hoofdzaak.

Uitkomst: Verzoek tot uitbreiding zorgregeling afgewezen, contactmoment op zaterdag vastgesteld en raadsonderzoek gelast.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/444782 FA RK 26-643
27 maart 2026
beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.J. Jurgers uit Bergen op Zoom,
en
[de man],
wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. H.E.C.M. Nieland uit Bergen op Zoom.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 28 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt. Deze procedure staat bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerk C/02/444805 FA RK 26-650. In de hoofdzaak liggen verzoeken over het hoofdverblijf, inschrijving in BRP, kinderbijslag, een zorg- en contactregeling en een kinderbijdrage ter beoordeling voor.
1.3. De rechtbank heeft buiten de in het procesreglement familie- en jeugdrecht rechtbanken genoemde termijn ook nog onderstaande stukken ontvangen:
- de brief van mr. Jurgers van 10 maart 2026 met een aanvullend verzoek, met bijlagen;
- het bericht van mr. Nieland van 11 maart 2026, met bijlagen.
De rechtbank zal de op 11 maart 2026 ontvangen brief van mr. Jurgers meenemen in de beoordeling nu mr. Jurgers deze stukken wel tijdig, maar per ongeluk in de bodemprocedure heeft ingediend en mr. Nieland bovendien geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze stukken. Daarnaast zijn deze stukken eenvoudig te doorgronden, waardoor er geen sprake is van strijd met de goede procesorde.
Het bericht van mr. Nieland zal de rechtbank alleen meenemen voor zover het de foto’s van de drugtesten betreft. De overige foto’s neemt de rechtbank niet mee in de beoordeling nu mr. Jurgers hier gemotiveerd bezwaar tegen heeft gemaakt.
1.4. De zaak is behandeld op de zitting van 13 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is het volgende, op dit moment nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
2.2.
De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat op het adres van de vrouw ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
2.4.
Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) hebben partijen in juli 2025 in een viergesprek met hun advocaten (mondeling) met elkaar afgesproken dat:
- [minderjarige] bij de man verblijft doordeweeks van maandag tot woensdag 12:00 uur en van woensdag vanaf 17:30 uur tot donderdag en in het weekend in de oneven weken van zaterdag vanaf 12:00 uur tot en met zondag;
- [minderjarige] bij de vrouw verblijft doordeweeks op woensdag tussen 12:00 uur en 17:30 uur en van donderdag tot en met vrijdag en in het weekend in de even weken op zaterdag en zondag;
- de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
2.5.
[minderjarige] en de vrouw hebben van 6 september 2025 tot en met 24 oktober 2025 geen fysiek contact gehad.
2.6.
Bij vonnis in kort geding van 5 november 2025 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier relevant, de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie over het contact tussen [minderjarige] en partijen afgewezen omdat partijen tijdens de zitting op 21 oktober 2025 een voorlopige zorgregeling met elkaar zijn overeengekomen. Partijen hebben toen afgesproken dat:
- de vrouw en [minderjarige] elke zaterdag van 13:00 uur tot 16:00 uur contact hebben met elkaar bij de vrouw in [plaats 3] ;
- de man [minderjarige] naar de vrouw brengt om 13:00 uur, en de vrouw [minderjarige] om 16:00 uur naar de man terugbrengt;
- op het moment dat de man [minderjarige] bij de vrouw brengt, de vrouw in het bijzijn van de man (een) test(en) afneemt op het gebruik van alcohol, speed, ketamine en MDMA. De vrouw draagt zelf zorg voor geschikte (een) test(en);
- bij een positieve uitslag op één of meerdere van de vier hierboven genoemde middelen het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] niet doorgaat. Dit geldt ook als de vrouw niet heeft zorg gedragen voor (een) geschikte test(en);
- de heer [persoon] niet aanwezig is bij het brengen en ophalen of het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] en is evenmin in de buurt;
- de communicatie tussen partijen, waaronder Whatsappberichten, e-mails en telefoontjes, stopt voor zover dit geen betrekking heeft op afspraken en/of het delen van informatie over [minderjarige] ;
Deze voorlopige zorgregeling is direct na de zitting in kort geding ingegaan.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat de zorg- en contactregeling tussen de vrouw en [minderjarige] wordt uitgebreid en opgebouwd als volgt:
 in de week na de ten deze te wijzen beschikking zal [minderjarige] op woensdagmiddag
door de man bij de vrouw worden gebracht om 12.00 uur en zorgt de vrouw dat [minderjarige] om 17.30 uur weer bij de man wordt teruggebracht;
  • in diezelfde week wordt [minderjarige] op zaterdag om 12.00 uur door de man bij de vrouw gebracht, alwaar [minderjarige] zal verblijven tot maandagmorgen en de vrouw haar dan naar school brengt;
  • vanaf de daarop volgende week wordt dan de in juli jl. overeengekomen regeling
aangehouden, zoals hiervoor beschreven sub 6;
althans een zodanige opbouw en uitbreiding van de zorg- en contactregeling vast te
stellen als door de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
II. De man te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan de zorg- en
contactregeling als onder sub I. bepaald op straffe van verbeurte van een dwangsom
van € 250,= per keer c.q. dag dat de man dit weigert na betekening van de ten deze te
wijzen beschikking.
In aanvulling op bovenstaande verzoeken heeft de vrouw verzocht partijen door te verwijzen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) voor ouderschapsbemiddeling, teneinde de oudercommunicatie te verbeteren. Subsidiair, voorzover de man hieraan geen medewerking wenst te verlenen, verzoekt de vrouw de rechtbank in aanvullende zin om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten, waarin naast de onderwerpen die in de bodemprocedure aan de orde zijn ook aandacht kan worden gegeven aan de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel aangewezen is.
3.2.
De man heeft op zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.
4.2.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot het wijzigen van de zorgregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
4.4
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw, gelet op de stukken en dat wat is besproken op de zitting, voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening nu zij [minderjarige] sinds oktober 2025 slecht gedurende enkele uren per week ziet en de man niet wil meewerken aan de uitbreiding van deze regeling.
Zorgregeling, verwijzing naar UHA en raadsonderzoek
4.6.
De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Het is volgens de vrouw niet in het belang van [minderjarige] dat de omgang tussen haar en [minderjarige] zo beperkt en geclausuleerd blijft als eerder bij kort geding bij wijze van pure noodvoorziening afgesproken. Er heeft na het kort geding, op een keer na, wekelijks omgang plaatsgevonden, maar de man werkt hier moeizaam aan mee en meent nog altijd eenzijdig te kunnen bepalen wanneer deze omgang wel of niet zal plaatsvinden. De man blokkeert uitbreiding van de zorgregeling door ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van de vrouw te uiten. Hij wil de omgang alleen uitbreiden met extra uren op de zaterdag en met continuering van de testen. De vrouw stelt dat er geen noodzaak is voor deze testen omdat ze geen drank en drugs gebruikt. De testen die zij tot op heden heeft uitgevoerd waren ook allemaal negatief. Daarnaast is de heer [persoon] niet in beeld en zeker niet aanwezig bij de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] . Er is dus geen contra-indicatie voor de uitbreiding van de omgang naar de regeling zoals die eerder in juli 2025 is overeengekomen. De vrouw stelt verder dat Veilig Thuis ook heeft aangegeven dat de contactmomenten stapsgewijs uitgebreid kunnen worden naar deze regeling. Daarnaast weigert/saboteert de man zijn medewerking aan vrijwillige hulpverlening. Het traject bij [hulpverlening] is gestaakt en kan niet opnieuw opgestart worden. Ook de hulpverlening via de gemeente [plaats 3] is niet van de grond gekomen omdat de man zijn medewerking weigert. Tenslotte is, gezien de opstelling van de man, een dwangsom noodzakelijk.
4.7.
De man voert verweer tegen de vrouw en voert hierbij het volgende aan. Het is nog nooit zo goed gegaan met [minderjarige] als dat het nu gaat. Ze heeft een enorme groei doorgemaakt het afgelopen half jaar, zowel cognitief als sociaal, en dat komt doordat ze nu regelmaat heeft thuis. Verder stelt hij dat de vrouw zich niet houdt aan de tijdens het kort geding gemaakte afspraken over de contactmomenten Ze faket dat ze geen relatie meer heeft met de heer [persoon] , maar dit is wel zo. Ook is hij, tegen de afspraken in, bij de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] aanwezig. De vrouw brengt daardoor de veiligheid van [minderjarige] in gevaar, want de heer [persoon] is veroordeeld voor geweldsdelicten. De man baseert de aanwezigheid van de heer [persoon] op uitlatingen die [minderjarige] bij terugkomst heeft gedaan.
Daarnaast gebruikt de vrouw nog steeds alcohol en drugs. Verder klopt het niet dat alle contactmomenten zijn doorgegaan. Hij heeft [minderjarige] een aantal keer mee teruggenomen omdat de vrouw agressief was en onder invloed. Ook heeft de vrouw, tegen de afspraken in, nooit een alcoholtest uitgevoerd. Als het aan hem lag werden de contactmomenten daarom compleet gestopt, maar hij wil [minderjarige] het contact met haar moeder niet ontnemen. De zorgregeling moet daarom blijven zoals deze nu is. Hij ontkent daarnaast dat hij niet wil meewerken aan vrijwillige hulpverlening en stelt dat deze is gestopt doordat de vrouw met [minderjarige] is verhuisd naar een andere gemeente. Tijdens de zitting heeft hij laten weten dat hij achter hulpverlening aan [minderjarige] staat, maar zelf niet meer met de vrouw om de tafel wil zitten.
4.8.
De Raad vindt de situatie tussen deze ouders zorgelijk en heeft de rechtbank daarom een raadsonderzoek aangeboden. Een UHA-verwijzing vindt de Raad een gepasseerd station, omdat er al is geprobeerd om vrijwillige hulpverlening in te zetten en dit is niet gelukt. Bovendien acht de Raad een UHA-verwijzing niet passend. Het is noodzakelijk dat er meer informatie komt, zoals informatie van Veilig Thuis, zodat de veiligheidsrisico’s in beeld kunnen worden gebracht. Hierdoor moet duidelijk worden wat er mogelijk is met betrekking tot de zorgregeling. Omdat er op dit moment veel onduidelijk is, kan de Raad geen advies geven over (de uitbreiding van) de zorgregeling. De Raad heeft wel benadrukt dat [minderjarige] haar beide ouders nodig heeft in haar leven en daarbij aangegeven dat een contactmoment van 3 uur per week erg weinig is.
4.9.
De rechtbank constateert dat partijen een compleet ander beeld van de situatie hebben. De man stelt dat de vrouw de veiligheid van [minderjarige] in gevaar brengt omdat ze (nog altijd) drank en drugs gebruikt en de heer [persoon] , tegen de tijdens het kort geding gemaakte afspraken in, bij de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige] aanwezig is. De vrouw ontkent deze beschuldigingen. Ook stelt de man dat het veel beter gaat met [minderjarige] sinds het contact tussen haar en de vrouw beperkt is omdat ze nu regelmaat heeft. De vrouw trekt dit in twijfel omdat er niet voor niets speltherapie wordt geadviseerd door Veilig Thuis.
De rechtbank maakt zich al met al zorgen over de manier waarop partijen als ouders van [minderjarige] met elkaar omgaan en het gebrek aan constructieve communicatie tussen hen beiden. Tijdens de mondelinge behandeling was de spanning tussen partijen voor de rechtbank ook duidelijk merkbaar. De rechtbank kan zich voorstellen dat ook [minderjarige] die spanning meekrijgt. Voor [minderjarige] en haar ontwikkeling is het van groot belang dat partijen op een goede manier als ouders met elkaar (leren) communiceren en samenwerken. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank het, net als de Raad, niet waarschijnlijk dat het partijen alsnog samen lukt om hun communicatie te verbeteren met behulp van vrijwillige hulpverlening. Bovendien krijgt de rechtbank bij een verwijzing naar het UHA geen inzicht in hoe het met [minderjarige] gaat.
4.10.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een raadsonderzoek noodzakelijk. De rechtbank verzoekt de Raad daarom om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vormgegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
De rechtbank merkt hierbij op dat de Raad, zoals tijdens de zitting al aangegeven door de zittingsvertegenwoordiger, dit onderzoek kan uitbreiden naar een beschermingsonderzoek als de Raad dit in het belang van [minderjarige] nodig acht.
De rapportage van de Raad moet worden ingediend ten behoeve van de aanhangig gemaakte bodemprocedure (C/02/444805 FA RK 26-650).
4.11.
Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de zorgregeling op dit moment, en dus vooruitlopend op de uitkomsten van het raadsonderzoek, kan worden uitgebreid naar meerdere dagen, zoals de vrouw verzoekt. Naar het oordeel van de rechtbank is zo’n uitbreiding, ook bij een langer durende opbouw, op dit moment niet aan de orde. Daarbij weegt de rechtbank in de eerste plaats mee dat de relatie tussen partijen als ouders van [minderjarige] hiervoor te slecht is. De door de vrouw verzochte zorgregeling betekent immers dat er meer momenten zullen zijn waarop [minderjarige] van de ene naar de andere ouder gaat. Dat betekent dat er ook meer contactmomenten tussen de ouders zijn. In hun huidige verhouding zijn dat evenzovele conflictrisico’s, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. Bovendien leert de praktijk dat een meerdaagse zorgregeling ook meer afstemming en dus goed overleg tussen de ouders vereist. Ook daarvoor is hun onderlinge verhouding op dit moment te slecht. Voorts is er het beweerde middelengebruik van de vrouw dat aan een uitbreiding in de weg staat. De vrouw heeft dit gebruik weliswaar ontkend, maar de rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat zij daadwerkelijk geen drugs (meer) gebruikt. In de eerste plaats heeft de vrouw, na de betwisting door de man, nagelaten een gebruiksaanwijzing of andere informatie over de drugstesten te overleggen, zodat voor de rechtbank niet duidelijk is geworden hoe de lichte, minder zichtbare streepjes op de testresultaten uitgelegd moeten worden. Een enkele algemene verwijzing naar ‘internet’ waaruit volgens de vrouw zou blijken dat ook dergelijke streepjes duiden op een negatief testresultaat is onvoldoende. Voorts speelt voor de rechtbank mee dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat ze haar urine, in tegenstelling tot de voorschriften bij de drugstesten, niet altijd op kamertemperatuur laat komen voordat ze de test doet. Dit zou kunnen betekenen dat ze daarmee de door haar uitgevoerde testen heeft beïnvloed en dat de resultaten dus niet betrouwbaar zijn. Tot slot is er de door de vrouw op 21 oktober 2025 aanvaarde voorwaarde over de afwezigheid van de heer [persoon] . Die voorwaarde brengt voor de vrouw mee dat het haar verantwoordelijkheid is dat niet de indruk ontstaat dat de heer [persoon] toch een- of meermalen bij de contactmomenten tussen haar en [minderjarige] aanwezig is. Daarin is de vrouw wat de rechtbank betreft niet geslaagd. De rechtbank heeft namelijk geen reden om te twijfelen aan hetgeen de man uitvoerig en consistent heeft verteld over het gedrag van [minderjarige] na diverse bezoeken en haar uiteindelijk gedane uitlatingen over de aanwezigheid van de heer [persoon] .
Al het voorgaande maakt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om de zorgregeling stapsgewijs op te bouwen naar de in juli 2025 overeengekomen zorgregeling zal afwijzen.
Net als de Raad is de rechtbank echter wel van oordeel dat de tijdens de kortgeding-zitting overeengekomen duur van de contactmomenten tussen de vrouw en [minderjarige] wel erg minimaal is om aan de moeder/dochter-relatie een enigszins betekenisvolle invulling te kunnen geven. De rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen waarbij [minderjarige] op zaterdag van 12.00 tot 17.00 uur bij de vrouw verblijft zodat zij ook iedere week een keer samen kunnen eten en/of ruimte hebben om samen iets te ondernemen. Om de hiervoor genoemde redenen blijven de overige voorwaarden van de zorgregeling, waaronder die omtrent de testen en de afwezigheid van de heer [persoon] , onverkort gehandhaafd.
Dwangsom
4.12.
Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen zijn volledige medewerking te verlenen aan de zorg- en contactregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom zal de rechtbank eveneens afwijzen. Ondanks alle bezwaren en weerstand die de man heeft tegen de zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de vrouw, is hij deze regeling tot op heden nagekomen. Hij heeft zelfs een extra contactmoment toegestaan buitenom de afgesproken regeling en de vrouw heeft voor dit extra contactmoment geen drugstest afgenomen. Hierdoor heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de man de uitgebreidere regeling niet zal nakomen. Mocht de man deze regeling toch niet nakomen, dan kan de vrouw alsnog een verzoek indienen om aan de man een dwangsom op te leggen.

5.De beslissing

De rechtbank
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist,
dat de vrouw en [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar elke zaterdag van 12:00 uur tot 17:00 uur bij de vrouw, waarbij de man [minderjarige] naar de vrouw brengt om 12:00 uur, en de vrouw [minderjarige] om 17:00 uur naar de man terugbrengt, een en ander onder handhaving van de in kort geding afgesproken overige voorwaarden;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder rechtsoverweging 4.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, en bepaalt dat het hierover door de Raad voor de Kinderbescherming op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend vóór
14 juli 2026 ten behoeve van de hoofdzaak met kenmerk C/02/444805 FA RK 26-650;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, en, in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.