ECLI:NL:RBZWB:2026:3343

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/02/445620 / JE RK 26-359
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 24 maart 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds negen dagen na geboorte bij pleegouders verblijft vanwege ernstige zorgen over de veiligheid bij de ouders.

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van deze maatregelen voor een jaar, onderbouwd met feiten over aanhoudend drugsgebruik van de ouders, huiselijk geweld en het ontbreken van een hechtingsrelatie tussen ouders en kind. De ouders hebben recent een intake gehad bij een verslavingszorginstelling, maar het vervolgtraject is onzeker. De moeder en vader erkennen de noodzaak van verlenging, hoewel zij het perspectiefbesluit betwisten of moeilijk accepteren.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. Het perspectiefbesluit van de GI, dat het opgroeiperspectief van de minderjarige niet meer bij de ouders ligt, wordt als zorgvuldig en terecht beoordeeld. De pleegouders bieden een veilige en stabiele omgeving. De verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom toegewezen voor de duur van een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor een jaar en bevestigt het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445620 / JE RK 26-359
Datum uitspraak: 24 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
[de pleegouders],
de grootouders moederszijde, hierna te noemen de pleegouders,
beiden wonende te [plaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026;
  • het stelbericht van mr. Van Beers van 12 maart 2026;
  • het e-mailbericht van de GI van 17 maart 2026;
  • het bericht van mr. Van Beers van 17 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
  • de pleegouders;
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter waren als toehoorder bij de zitting aanwezig, mw. [persoon 1] , de begeleider van Humanitas voor de moeder en mw. [persoon 2] , de pleegzorgbegeleider van [zorgorganisatie] voor de pleegouders.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in het pleeggezin van de pleegouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij die beschikking ook de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, tot 4 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt beide maatregelen te verlengen voor een jaar, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. [minderjarige] is sinds hij negen dagen oud is bij de pleegouders geplaatst vanwege ernstige zorgen over zijn veiligheid bij de ouders. Voor en tijdens de zwangerschap was er sprake van drugsgebruik door de vader en de moeder. Zij gebruiken nog steeds drugs en zijn nog steeds niet gestart met behandeling. Tussen de ouders zijn er heftige ruzies met geweld van de vader richting de moeder. De moeder is niet voornemens om de relatie met de vader te verbreken. De ouders komen afspraken en bezoeken vaak niet na. Tijdens de bezoeken is er weinig interactie en lijkt er geen hechtingsrelatie te ontstaan. De opvoedvaardigheden van de ouders kunnen vanwege de forse verslavingsproblematiek niet worden beoordeeld. Hulpverlening vanuit de Jeugdwet draagt niet bij aan wat er nodig is voor [minderjarige] in contact met de ouders. De ouders hebben eigen behandeling nodig vanuit de (verslavings)zorg. Naar verwachting zullen de ouders de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] niet kunnen dragen. De aanvaardbare termijn is verstreken en [minderjarige] moet duidelijkheid hebben over zijn perspectief. De GI verzoekt daarom de kinderrechter om ook haar perspectiefbesluit te toetsen. Daarna zal worden gekeken welke vervolgstappen nodig zijn. De verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om te werken aan een duurzaam perspectief voor [minderjarige] .
4.2.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij de noodzaak ziet voor de verlenging van beide maatregelen. Op dit moment kan zij niet voor [minderjarige] zorgen. Het wringt wel dat een uithuisplaatsing nodig is. De moeder durft de pleegouders, zijnde haar ouders, niet onder ogen te komen omdat zij denkt dat zij zich voor haar schamen en teleurgesteld in haar zijn. De moeder voert wel verweer tegen het perspectiefbesluit. Dit besluit is te voorbarig genomen. [minderjarige] is pas veertien maanden oud. Op de vraag hoelang [minderjarige] nog kan wachten heeft de moeder geen antwoord. Het is niet zo dat er geen verbetering in de situatie meer mogelijk is. De moeder heeft recent een intake gehad bij Novadic-Kentron. Eerder durfde zij die stap niet te zetten. Op dit moment is niet duidelijk wanneer het traject start en hoelang het gaat duren. De moeder heeft op dit moment geen huisvestiging, zij woont met de vader bij de grootvader vaderszijde. Gelet ook op het feit dat het verder goed gaat met [minderjarige] kan het traject bij Novadic-Kentron worden afgewacht.
4.3.
De vader heeft naar voren gebracht dat ook hij het eens is met de verlenging van de twee maatregelen. [minderjarige] zit goed bij de pleegouders. Hij komt niets tekort en zij kunnen hem op dit moment meer bieden dan de ouders kunnen. De vader heeft ook recent een intake gehad bij Novadic-Kentron. Door omstandigheden is dit traject niet eerder van de grond gekomen. Hij heeft daar spijt van, maar kan er ook niets meer aan veranderen. Kort na de intake werd duidelijk dat de vader nog een gevangenisstraf van drie maanden moest uitzitten omdat hij zijn taakstraf niet heeft uitgevoerd. Op dit moment is niet duidelijk wanneer het traject bij Novadic-Kentron start en hoelang het gaat duren. Een en ander hangt mede af van de executie van de gevangenisstraf. De ouders wonen nu in een omgebouwde schuur bij de grootvader vaderszijde. De vader heeft voldoende inschrijftijd om snel een woning toegewezen te krijgen. Hoewel hij eigenlijk vindt dat [minderjarige] niet zo lang kan wachten op de ouders, is dit nu eenmaal de situatie. Dat gezegd moet worden dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt kan de vader dan ook volgen. Dat er weinig contact is geweest tussen de ouders en [minderjarige] ligt aan ziekte van de jeudgbeschermer, niet aan de ouders.
4.4.
De pleegouders hebben naar voren gebracht dat het bij hen goed gaat met [minderjarige] . De ouders en [minderjarige] hebben slechts sporadisch contact met elkaar. Een keer per veertien dagen zou er omgang moeten zijn, maar de ouders zeggen heel vaak af. [minderjarige] kan zolang als nodig bij hen blijven wonen. Hij is al gehecht binnen het gezin van de pleegouders. Hoewel zij het liefst willen dat de ouders afkicken en zijzelf voor [minderjarige] zorgen, hebben zij er geen vertrouwen in dat dit gaat gebeuren.
4.5.
De Raad heeft naar voren gebracht dat als de kinderrechter zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing over het perspectiefbesluit te nemen hij een onderzoek kan doen en daarin kan adviseren. Indien de kinderrechter zich wel voldoende geïnformeerd acht, refereert de Raad zich aan het oordeel van de kinderrechter.

5.De beoordeling

Verlenging van de ondertoezichtstelling
5.1.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Hij legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hoewel hij het goed doet bij de pleegouders en het verblijf bij hen als veilig en passend wordt gezien, blijven er ernstige zorgen over de ouders. De ouders gebruiken nog steeds middelen en hebben pas kortgeleden de eerste stappen, te weten intakegesprekken bij Novadic-Kentron, gezet om hiermee te stoppen. Dat middelengebruik vond al plaats voor en een ook tijdens de periode van zwangerschap van de moeder. Ook de hoogoplopende conflicten tussen de ouders en het huiselijk geweld van de vader richting de moeder zijn zeer zorgelijk. De ouders komen omgangafspraken nog steeds nauwelijks na waardoor er geen hechtingsrelatie tussen hen en [minderjarige] kan ontstaan. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening omdat de ouders daarvoor onvoldoende beschikbaar zijn. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling, in het belang van [minderjarige] , dan ook verlengen voor de duur van een jaar.
Opgroeiperspectief van [minderjarige]
5.4.
Zowel bij de beslissing tot een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing als bij de beslissing of het gezag moet worden beëindigd, is mede bepalend wat voor de minderjarige een aanvaardbare termijn is waarbinnen de ouder(s) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) op zich kunnen nemen. Gedurende de uithuisplaatsing kan de GI tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van de minderjarige elders ligt. Dit standpunt van de GI wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. De bedoeling van de wetgever is dat de GI in dat geval overweegt om de rechter te verzoeken over te gaan tot beëindiging van het gezag.
5.5.
In de praktijk komt het voor dat niet om beëindiging van het gezag wordt verzocht, ook al wordt wel voldaan aan de gronden daarvoor. Het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige kan ook dan in de praktijk doorwerken, namelijk in de manier waarop de ondertoezichtstelling verder wordt uitgevoerd, onder meer doordat de hulpverlening niet meer gericht wordt op een terugkeer van de minderjarige naar de ouder(s).
5.6.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148, volgt dat de ouder(s) en de minderjarige zijn gediend met inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. Het perspectiefbesluit heeft echter als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt daaraan geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het perspectiefbesluit ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Wel mag de rechter een perspectiefbesluit beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opvoedperspectief van de minderjarige(n). De kinderrechter is dan ook bevoegd om zich in het kader van de ondertoezichtstelling of de machtiging tot uithuisplaatsing uit te laten over het door de GI geformuleerde perspectiefbesluit.
5.7.
De kinderrechter is van oordeel dat het perspectiefbesluit van 18 november 2025 zorgvuldig tot stand is gekomen. Hij kan zich voorstellen dat het voor de ouders moeilijk is om te accepteren dat het perspectief van [minderjarige] voor de GI niet meer bij de ouders ligt. Uit de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken volgt dat al voor de zwangerschap van de moeder sprake was van verslavingsproblematiek bij beide ouders. Ook tijdens die zwangerschap is bij beide ouders sprake geweest van middelengebruik. De ouders gebruiken nog steeds middelen, waaronder ook harddrugs. Kijkend naar de afgelopen periode kan de kinderrechter niet anders concluderen dan dat de ouders weinig tot niets concreets hebben gedaan om echt met hun (verslavings)problematiek aan de slag te gaan. Zij hebben het aangaan van een oplossing voor hun problemen steeds vooruitgeschoven. Pas kort geleden hebben intakegesprekken bij Novadic-Kentron plaatsgevonden. Het verdere verloop en de duur van een behandeling is daarom nog onduidelijk. Evenmin is duidelijk of en wanneer de ouders na behandeling in staat zijn om [minderjarige] een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden. Zo hebben de ouders in ieder geval op dit moment geen geschikte huisvestiging. Daarnaast dienen de ouders te zorgen voor een veilige opvoedomgeving van hun kind, bijvoorbeeld dat er geen sprake meer mag zijn van huiselijk geweld. Niet duidelijk is wanneer de ouders aan deze problematiek kunnen gaan werken. Dit alles maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat, juist ook gelet op zijn jonge leeftijd, [minderjarige] niet langer kan wachten op verblijf bij (een van) zijn ouders. Gelet op de onderbouwing van het perspectiefbesluit van de GI is de kinderrechter van oordeel dat de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn de zorg en verantwoordelijkheid voor [minderjarige] op zich kun nemen. Deze aanvaardbare termijn is al verlopen, dit gezien onder meer de omstandigheid dat hij vanaf zijn negende geboortedag bij de pleegouders verblijft en inmiddels aan hun gezin is gehecht. Hij heeft behoefte aan een veilige en stabiele opvoedingsomgeving, waarbij voorspelbaarheid en rust voorop staan. Deze opvoedsituatie kunnen en willen de pleegouders hem bieden. [minderjarige] doet het goed bij hen. Hij mag bij hun gezin verblijven, zolang dat nodig is. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen volgt de kinderrechter dan ook het perspectiefbesluit van de GI over [minderjarige] , in die zin dat zijn perspectief niet meer bij (een van) de ouders ligt. De kinderrechter gaat ervan uit dat, nu het perspectief van [minderjarige] is bepaald, de GI in de komende periode onderzoekt welke juridisch situatie vervolgens het meest passend is.
Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
5.8.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.9.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.
5.10.
Mede gelet op hetgeen hiervoor omtrent het opgroeiperspectief van [minderjarige] is overwogen, is de kinderrechter van oordeel dat het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders moet worden voortgezet. Ook dit deel van het verzoek zal, in het belang van [minderjarige] , worden toegewezen voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.11.
De kinderrechter zal zijn toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 4 april 2026 tot 4 april 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.