ECLI:NL:RBZWB:2026:3324
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na schorsing rijbewijs door CBR
Verzoeker heeft schadevergoeding gevorderd wegens de schorsing van zijn rijbewijs door het CBR, nadat de politie een vermoeden had geuit dat hij niet langer geschikt was om een motorrijtuig te besturen. Het CBR had op 23 juli 2024 het rijbewijs geschorst en een medisch onderzoek opgelegd. Verzoeker maakte bezwaar en ging in beroep, maar de rechtbank verklaarde het beroep op 2 juni 2025 ongegrond. Verzoeker ging niet in hoger beroep.
Na afwijzing van het bezwaar en beroep diende verzoeker een schadeverzoek in bij het CBR, dat dit afwees omdat het besluit niet onrechtmatig was. Verzoeker stelde dat het CBR onmenselijk had gehandeld en dat de schorsing tot persoonlijke schade had geleid, waaronder een scheiding. De rechtbank oordeelde dat het besluit formele rechtskracht heeft gekregen en dat er geen onrechtmatigheid is. De geclaimde schade was niet aannemelijk gemaakt en stond niet in causaal verband met het besluit.
De rechtbank behandelde de twee schadeverzoeken als één en besloot het griffierecht éénmaal terug te betalen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het besluit rechtmatig is. Verzoeker kan nog in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat het besluit tot schorsing van het rijbewijs rechtmatig is.