Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar door de Dienst Toeslagen, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 6 februari 2025 verweerder had opgedragen binnen twee weken te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft beslist. De rechtbank sluit aan bij de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, die een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn hanteert.
Aangezien deze termijn inmiddels is verstreken, legt de rechtbank een beslistermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak op. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 opgelegd voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar moet nemen.