ECLI:NL:RBZWB:2026:331

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/1573
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om geheimhouding van stukken in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de inspecteur van de Belastingdienst een verzoek om geheimhouding ingediend voor drie bijlagen bij het verweerschrift. De stukken bevatten onder meer een controlestrategie en persoonsgegevens van een betrokken ambtenaar.

De geheimhoudingskamer heeft zonder zitting het verzoek beoordeeld. De passage over de controlestrategie is zwartgelakt om het belang van een effectieve controle en het voorkomen van anticiperend gedrag van belastingplichtigen te beschermen. Daarnaast zijn persoonsgegevens van een ambtenaar afgeschermd vanwege privacybelangen.

Na afweging van het belang van belanghebbende bij kennisneming en het belang van de inspecteur bij geheimhouding, concludeert de kamer dat het belang van effectieve controle en privacy zwaarder wegen. Daarom wordt het verzoek om geheimhouding van de geschoonde delen van de stukken toegewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter V.A. Burgers en griffier D. Damen op 22 januari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Hoger beroep is alleen mogelijk samen met het hoger beroep tegen de hoofdzaak.

Uitkomst: Het verzoek om geheimhouding van delen van stukken wordt toegewezen vanwege het belang van effectieve controle en bescherming van persoonsgegevens.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1573
beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. A. Carli)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Het verzoek

1. De inspecteur heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend. In de begeleidende brief, met dagtekening 5 april 2024, heeft de inspecteur een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. In die brief is het verzoek om geheimhouding toegelicht. Bij de brief heeft de inspecteur een gesloten enveloppe overgelegd met daarin stukken die volgens hem deels geheimgehouden moeten worden. De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift met de geschoonde stukken en van de begeleidende brief aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt.
1.1.
De geheim te houden delen van stukken zien op drie bijlagen gevoegd bij het verweerschrift. De stukken zijn als volgt te omschrijven:
1) het stuk Controleopdracht onder Details: toelichting, taak nr. 3083402-01 (bijlage 1 bij het verweerschrift);
2) het stuk getiteld Douane Taak, opdracht (bijlage 11 bij het verweerschrift);
3) het stuk Uitslag monsteronderzoek met dagtekening 5 juli 2022 (bijlage 13 bij het verweerschrift).
1.2.
Met betrekking tot het hiervoor eerste genoemde stuk – welke geschoond is gevoegd als bijlage 1 bij het verweerschrift – heeft de inspecteur aangegeven dat een daarin genoemde controlestrategie geschoond is wegens het belang van een effectieve controle en controlestrategie alsmede het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen. In het hiervoor als tweede en derde genoemde stuk – welke respectievelijk geschoond zijn gevoegd als bijlagen 11 en 13 bij het verweerschrift – zijn de persoonlijke gegevens van de betrokken ambtenaar geschoond. Volgens de inspecteur weegt het belang van privacy van de betrokken ambtenaar aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende om kennis te nemen van deze delen van het stuk. Daarnaast is de kenbaarheid van die gegevens volgens hem niet van belang voor de beslissing in de hoofdzaak.

Overwegingen

Geen zitting
2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1]
Kader voor beoordeling
2.1.
De omstandigheid dat een stuk een stuk in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb is, brengt niet automatisch mee dat dit stuk (volledig) aan de andere partij ter kennis moet worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van Pro de Awb biedt immers aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.2.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling van het verzoek
2.3.
De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb, kennis genomen van de delen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. De delen van de geheimgehouden stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om delen van de stukken geheim te houden.
Stuk 1 (bijlage 1 bij het verweerschrift)
2.4.
De geheimhoudingskamer heeft geconstateerd dat de inspecteur een passage in dit stuk heeft zwartgelakt op grond van meerdere redenen zoals genoemd in 1.2. De geheimhoudingskamer heeft vastgesteld dat voornoemde passage overwegingen bevat die zien op de controlestrategie en/of op de interne werkwijze van de Belastingdienst. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer heeft de weggelakte passage daarom betrekking op de effectiviteit van het door de Belastingdienst uit te oefenen toezicht op de naleving van belastingwetten. [2] Het belang van de effectiviteit van dit toezicht weegt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij integrale kennisneming van dit stuk. Met betrekking tot de gelakte passage in stuk 1 is dus sprake van gewichtige redenen die geheimhouding van de zwartgelakte passage daarin op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb rechtvaardigt.
Stuk 2 (bijlage 11 bij het verweerschrift) en stuk 3 (bijlage 13 bij het verweerschrift)
2.5.
De geheimhoudingskamer overweegt dat ten aanzien van de naam van de betrokken ambtenaar en andere persoonlijke (identiteits)gegevens het algemeen belang bij bescherming van die persoonsgegevens in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de kennisneming van deze gegevens door belanghebbende. De geheimhoudingskamer heeft gecontroleerd dat de zwartgelakte passages inderdaad de persoonsgegevens van de betrokken ambtenaar bevatten. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat voor deze gegevens sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
2.6.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van de geschoonde delen van de stukken gerechtvaardigd is.

Beslissing

De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 22 januari 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Vergelijk Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.
2.Vgl. Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4228.