De zaak betreft een geschil over de toekenning van een bijstandsuitkering aan eiser, die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout werd toegekend in de vorm van een lening vanaf 8 januari 2025. Eiser betwist deze vorm en stelt dat de uitkering om niet had moeten worden verstrekt, mede omdat hij niet over voldoende middelen beschikt en niet betrokken is bij de Duitse onderneming waarvan hij als directeur staat geregistreerd.
De rechtbank stelt vast dat het college het recht op bijstand terecht heeft vastgesteld, maar dat het onjuist was om deze bijstand als lening toe te kennen op grond van artikel 48, tweede lid, onder a, van de Participatiewet. De omstandigheden, waaronder het faillissement van de Duitse onderneming en het ontbreken van bewijs dat eiser op korte termijn over middelen zal beschikken, maken dit onrechtmatig.
Verder oordeelt de rechtbank dat het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf de datum van beëindiging van de uitkering door de gemeente Vught niet kan worden toegewezen, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de lening betreft, herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiser recht heeft op bijstand om niet over de periode van 8 januari 2025 tot 1 oktober 2025. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.