Eisers ontvangen sinds 2014 een bijstandsuitkering en zijn door het college verplicht deel te nemen aan een re-integratietraject bij de Kringloper. Ondanks meerdere afspraken is eiser vanaf februari 2025 niet verschenen, wat leidde tot een maatregel van 100% verlaging van de bijstand voor twee maanden.
Eisers betwisten dat het college voldoende maatwerk heeft geleverd en beroepen zich op dringende redenen vanwege financiële problemen. De rechtbank oordeelt dat het college terecht de maatregel heeft opgelegd, omdat eiser niet is verschenen en er geen medische beperkingen zijn aangetoond die deelname onmogelijk maakten.
De rechtbank stelt vast dat het college maatwerk heeft geleverd door de uren aan te passen en dat de maatregel niet onevenredig is. Eisers krijgen geen gelijk, het beroep wordt ongegrond verklaard en zij krijgen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de maatregel van 100% verlaging van de bijstand voor twee maanden wegens niet-nakoming van re-integratieverplichtingen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5661
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, het college.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een tegen eisers door het college opgelegde maatregel van 100% gedurende twee maanden (april en mei 2025) op grond van de Participatiewet (Pw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de maatregel die door het college aan eisers is opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de maatregel aan eisers heeft opgelegd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 27 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Pw met ingang van 1 april 2025 voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eisers is het college onder aanvulling van de motivering bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en mr. [vertegenwoordiger college] namens het college. Eisers waren niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eisers ontvangen sinds 1 december 2014 een uitkering voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Aan de heer [eiser 1] (hierna: eiser) is door het college de verplichting opgelegd om vanaf 19 augustus 2024 in het kader van het ontwikkelen van werknemersvaardigheden deel te nemen aan het project “ [project] ”. Hij zou vanaf 7 oktober 2024 beginnen met werkzaamheden bij de Kringloper voor 36 uur per week. Voorafgaand aan de huidige besluitvorming heeft het college op 21 november 2024 aan eisers een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van de bijstand vanaf 1 december 2024 voor de duur van twee maanden met een bedrag van € 934,60. De reden hiervoor was dat eiser zonder afmelding en geldige reden niet is verschenen op de aangegeven dagen. Hij is in het geheel niet verschenen. In de beslissing op bezwaar van 16 januari 2025 is dit besluit herroepen en is een maatregel van verlaging van de bijstand van 100% gedurende één maand opgelegd, te verrekenen in gelijke delen in drie maanden.
4. Vervolgens is opnieuw met eiser een afspraak gemaakt. Hij zou vanaf 5 februari 2025 bij de Kringloper starten en van maandag tot en met woensdag en op vrijdag van 9:00 tot 13:00 uur gaan werken. Deze uren zouden nog worden uitgebreid. Eiser is op 5 februari 2025 opnieuw niet verschenen en ook na deze datum is hij geen enkele keer bij de Kringloper verschenen. Om die reden heeft het college de besluiten genomen zoals onder ‘procesverloop’ wordt vermeld.
Het standpunt van eisers
5. Eisers stellen dat in het bestreden besluit onvoldoende op de bezwaargronden is ingegaan. Daarnaast heeft verweerder eisers niet de mogelijkheid gegeven om maatwerk te leveren voor wat betreft het re-integratietraject en arbeidsinschakeling. Inmiddels is dat wel gebeurd en is eiser aan het werk voor het aantal uur dat past bij zijn mogelijkheden. Ten onrechte heeft verweerder nagelaten om deze mogelijkheid eerder te creëren, waardoor ten onrechte een maatregel is opgelegd. Tot slot dienen de bezwaargronden als herhaald en ingelast beschouwd te worden. Ter zitting is nader toegelicht dat eisers in beroep met name opnieuw een beroep willen doen op de dringende redenen.
Wet- en regelgeving
6. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Bewijslast
7. Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor eisers belastend besluit, waarbij het aan het bijstandsverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan, in beginsel op het bijstandsverlenend orgaan rust.
Waar gaat deze zaak over?
8. Eisers betwisten niet dat eiser vanaf 5 februari tot en met 26 maart 2025 in het geheel niet bij de Kringloper is verschenen. Ook wordt niet betwist dat, indien sprake is van recidive, een maatregel van 100% voor de duur van twee maanden kan worden opgelegd gelet op het bepaalde in de Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2015. Eisers stellen dat het college bij de re-integratievoorziening geen maatwerk heeft toegepast, terwijl dit wel zou moeten, waardoor ten onrechte een maatregel is opgelegd.
Heeft het college voldoende maatwerk geleverd?
9. Volgens vaste rechtspraak is het niet aan de betrokkene, maar aan de bijstandsverlenende instantie om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het uiteindelijke beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken. Wel is vereist dat de bijstandsverlenende instantie maatwerk levert en dat de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging. De bijstandsverlenende instantie dient voorts aan de betrokkene kenbaar te maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en omstandigheden in het individuele geval, is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd. [1]
Uit het retourformulier Kringloper Activeringstraject van 1 oktober 2024 blijkt dat eiser in eerste instantie 36 uur per week bij de Kringloper zou gaan werken. Uit deze rapportage volgt dat (1) arbeidsritme opbouwen, (2) werknemersvaardigheden uitbouwen en (3) sociaal netwerk vergroten de (korte) termijn doelen van dit traject zijn. Verder is tijdens de intake omschreven wat eiser bij de Kringloper moet gaan doen. Het college heeft na het opleggen van de eerste maatregel eiser opnieuw bij de Kringloper geplaatst, maar voor halve dagen van maandag tot en met woensdag en op vrijdag.
Eisers stellen dat het college momenteel voldoende maatwerk levert en dat dit al eerder had moeten gebeuren. Daarmee wordt kennelijk gedoeld op zijn meest recente plaatsing bij de Kringloper. Ter zitting is gebleken dat eiser na het bestreden besluit opnieuw bij de Kringloper is geplaatst, maar (uit coulance) voor twee (halve) dagen per week met de bedoeling verder op te bouwen. Daarbij is door het college ter zitting onbetwist gesteld dat eiser in deze laatste periode slechts één keer is verschenen, er toen een conflict is ontstaan en hij daarna niet meer is verschenen. Van een wezenlijk andere situatie, dan wel een andere voorziening is dus geen sprake.
Eisers hebben gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen van eiser. Daartoe is ter zitting aangevoerd dat eiser last heeft van hoofdpijn en slapeloosheid en dat hij psychische klachten (depressie) heeft.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser vanwege medische beperkingen niet aan de opgelegde verplichtingen kon voldoen. In het genoemde retourformulier is aangegeven dat er geen belemmeringen van medische aard zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Eiser heeft voorafgaand aan het traject aangegeven dat als hij hoofdpijn heeft, hij niet komt. Dat sprake zou zijn van een medische beperking die ertoe leidt dat hij de werkzaamheden niet kon verrichten is echter niet gebleken. Dat is ook niet met medische stukken onderbouwd. Daarbij komt dat het college in het bestreden besluit onweersproken heeft gesteld dat in 2015 een verzekeringsarts heeft vastgesteld dat hoofdpijn zijn re-integratie niet in de weg staat.
Eiser heeft verder niet eerder gemeld dat sprake is van slapeloosheid en psychische klachten en dit nu ook niet met stukken onderbouwd. De rechtbank ziet naar aanleiding van het voorgaande niet in waarom het college onvoldoende maatwerk geleverd zou hebben.
Dringende redenen
10. Ter zitting beroepen eisers zich op dringende redenen, als bedoeld in artikel 18, tiende lid, van de Pw. Zij stellen dat zij door de maatregel hun vaste lasten, zoals de huur, niet meer kunnen voldoen. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit uitgebreid heeft gemotiveerd dat niet is gebleken van dringende redenen die zouden moeten leiden tot het afzien of matigen van de maatregel. Daarbij is onder meer overwogen dat eiser zelf de keuze maakt niet mee te werken, dat hij weet dat dit gevolgen voor zijn uitkering heeft, dat er geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op basis waarvan de aanwezigheid van minderjarige kinderen moet worden meegewogen en dat de maatregel niet onevenredig of onevenwichtig is. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat sprake is van dermate financiële problemen dat het college van de maatregel zou moeten afzien. Eisers hebben dit ook niet nader onderbouwd met stukken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eisers niets verandert. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.H. Meulensteen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.
Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen:
het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;
het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen;
bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan;
het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;
het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;
et gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
5. Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt, verlaagt het college de bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. De verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.
6. Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het vijfde lid toepassing heeft gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde lid, de bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode die in ieder geval langer is dan de op grond van het vijfde lid vastgestelde periode van verlaging en ten hoogste drie maanden.
7. Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zesde lid toepassing heeft gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde en zesde lid, de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden.
8. Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zevende lid toepassing heeft gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde, zesde en zevende lid, telkens de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden.
9. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
10. Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
11. Indien het college de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid heeft verlaagd, kan het college op verzoek van de belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de verlaging herzien zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen, bedoeld in het vierde lid, nakomt.
12. Bij de toepassing van dit artikel wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin.
Voetnoten
1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2663.