Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3220

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/7904
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar NOW-invordering wegens ontbrekende verzendadministratie

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de invordering van de vierde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor het behoud van Werkgelegenheid (NOW 4, zesde tranche). De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend en geen gronden bevatte.

Eiseres stelde dat zij de herstelbrief van 11 september 2024, waarin zij de mogelijkheid kreeg om gronden alsnog in te dienen en de termijnoverschrijding toe te lichten, niet had ontvangen. De minister kon niet aantonen dat deze brief daadwerkelijk was verzonden, omdat er geen verzendadministratie bestond.

De rechtbank oordeelde dat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat de brief was verzonden naar het juiste adres. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of eiseres de gelegenheid had gehad om het verzuim te herstellen. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring onterecht en werd het bestreden besluit vernietigd.

De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen op het bezwaar, het griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. Het beroep is gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7904

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar tegen het besluit van 13 juni 2024 over de invordering voor de Vierde tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor het behoud van Werkgelegenheid, zesde tranche (NOW 4, zesde tranche).
1.1.
De minister heeft op 4 oktober 2024 het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit), omdat eiseres geen gronden heeft ingediend en het bezwaar te laat heeft ingediend. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [persoon] namens eiseres, [gemachtigde] als gemachtigde van eiseres en mr. N. Regragui als gemachtigde van de minister.
1.4.
Bij beslissing van 11 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en aan de minister gevraagd de verzendadministratie van de brief van 11 september 2024 schriftelijk kenbaar te maken.
1.5.
Op 13 augustus 2025 heeft de minister laten weten dat er geen verzendadministratie is, zodat er geen bewijsstukken kunnen worden overgelegd. Eiseres heeft de gelegenheid gekregen om op de brief van de minister te reageren, maar heeft dit niet gedaan.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek op 28 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
5. Een bezwaarschrift moet de gronden van het bezwaar bevatten. Als een bezwaarschrift geen gronden bevat kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5.1.
Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is verzonden. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is.
Heeft eiseres de gelegenheid gehad om de gebreken te herstellen?
6. Eiseres heeft niet de gelegenheid gehad om het verzuim te herstellen en om uit te leggen waarom zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat zij de brief van 11 september 2024 niet heeft ontvangen. Deze brief betreft een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift. Ook krijgt eiseres in de brief de mogelijkheid om de gronden alsnog in te dienen en de reden van de termijnoverschrijding kenbaar te maken.
6.1.
Omdat eiseres de ontvangst van de brief betwist, moet er worden beoordeeld of de minister de brief verzonden heeft. Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat het in beginsel aan de verzender is om aannemelijk te maken dat verzending daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt dat de brief per reguliere post is verzonden. Stukken die per post worden verzonden, worden in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde bezorgd. Dit rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de brief op dat adres. Dit betekent dat de minister in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. [1]
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de brief van 11 september 2024 is verzonden. Op de brief staat het adres van eiseres zoals vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, maar uit de stukken blijkt dat de minister geen verzendadministratie heeft. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld of de minister de brief daadwerkelijk naar het juiste adres heeft verzonden.
6.3.
Omdat de rechtbank niet kan vaststellen of de minister de brief van 11 september 2024 heeft verzonden, kan de rechtbank ook niet vaststellen of eiseres de gelegenheid heeft gehad om de gebreken te herstellen. Het telefonische contact tussen eiseres en de minister van 1 en 2 oktober 2024 maakt dit niet anders, want de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres begrip had voor het besluit betekent niet dat hiermee vaststaat dat hij de brief heeft ontvangen. Dit betekent dat de minister het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd.

Conclusie en gevolgen

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De minister zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres moeten nemen.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:5, eerste lid,
Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht;
d. de gronden van het bezwaar of beroep.
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8, eerste lid
De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 6:9, eerste lid
Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1277.