Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, die was vastgesteld op een belastbaar inkomen van €28.259. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de aanslag correct was. Belanghebbende stelde dat de aanslag te hoog was vanwege niet erkende aftrekposten voor studiekosten en specifieke zorgkosten, en vorderde daarnaast een dwangsom en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op bezwaar tijdig was verzonden, waardoor de beroepstermijn pas op 14 december 2023 begon te lopen. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende geen recht had op een dwangsom omdat de inspecteur binnen twee weken na ingebrekestelling had gereageerd.
De rechtbank beoordeelde de aftrekposten en concludeerde dat de studiekosten niet voldoende waren onderbouwd, maar dat een deel van de zorgkosten, waaronder remgelden en steunzolen, aftrekbaar waren. Dit leidde tot een vermindering van het belastbaar inkomen met €1.129. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn, waarbij een periode van 3,5 jaar werd uitgesloten omdat belanghebbende pas laat bekend werd met de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, mat de aanslag naar beneden, veroordeelde de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding, en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moest vergoeden.