Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3126

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/1274
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:12 AwbArt. 26c AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag IB/PVV 2018 wegens onjuiste hoogte en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, die was vastgesteld op een belastbaar inkomen van €28.259. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond en stelde dat de aanslag correct was. Belanghebbende stelde dat de aanslag te hoog was vanwege niet erkende aftrekposten voor studiekosten en specifieke zorgkosten, en vorderde daarnaast een dwangsom en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op bezwaar tijdig was verzonden, waardoor de beroepstermijn pas op 14 december 2023 begon te lopen. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende geen recht had op een dwangsom omdat de inspecteur binnen twee weken na ingebrekestelling had gereageerd.

De rechtbank beoordeelde de aftrekposten en concludeerde dat de studiekosten niet voldoende waren onderbouwd, maar dat een deel van de zorgkosten, waaronder remgelden en steunzolen, aftrekbaar waren. Dit leidde tot een vermindering van het belastbaar inkomen met €1.129. Tevens werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn, waarbij een periode van 3,5 jaar werd uitgesloten omdat belanghebbende pas laat bekend werd met de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, mat de aanslag naar beneden, veroordeelde de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding, en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moest vergoeden.

Uitkomst: De aanslag IB/PVV 2018 wordt verminderd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1274
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 april 2020.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.259.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en drs. [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2018 naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een dwangsom en een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank oordeelt eerst of het beroep ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ontvankelijk. De aanslag IB/PVV 2018 is niet naar de juiste hoogte opgelegd. Belanghebbende heeft geen recht op een dwangsom en op een immateriëleschadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 8 november 2019 een aangifte IB/PVV 2018 ingediend.
4.1.
Belanghebbende is in bezwaar gegaan tegen de aanslag IB/PVV 2018.
4.2.
De inspecteur heeft met dagtekening 6 april 2020 uitspraak op bezwaar gedaan.
4.3.
De inspecteur heeft op 10 april 2020 een brief van belanghebbende ontvangen met een nadere motivatie.
4.4.
Belanghebbende heeft een ingebrekestelling naar de inspecteur verzonden. De inspecteur heeft deze op 11 december 2023 ontvangen.
4.5.
Met dagtekening 14 december 2023 heeft de inspecteur gereageerd op de ingebrekestelling en de uitspraak op bezwaar toegezonden.

Motivering

Vooraf: zijn de stukken van de inspecteur rechtsgeldig?
5. Belanghebbende stelt dat alle stukken van de inspecteur rechtsongeldig zijn omdat de inspecteur geen machtiging heeft overgelegd.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stukken van de inspecteur wel rechtsgeldig. De rechtbank neemt de stukken mee in haar beoordeling.
Is het beroepschrift ontvankelijk?
6. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [4] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [5] Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
6.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
6.2.
Belanghebbende betwist de verzending van de uitspraak op bezwaar. De inspecteur stelt dat de uitspraak op bezwaar is verzonden naar het bij de Belastingdienst bekende adres van belanghebbende.
6.3.
Het is aan de inspecteur om de verzending van de uitspraak op bezwaar aannemelijk te maken. De inspecteur heeft geen verzendadministratie overgelegd waaruit aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar is verzonden op of rond 6 april 2020. De beroepstermijn is pas aangevangen op het moment dat belanghebbende bekend was met de uitspraak op bezwaar. De inspecteur heeft bij brief van 14 december 2023 gereageerd op de ingebrekestelling van belanghebbende. Daarbij is een kopie van de uitspraak op bezwaar meegezonden. De rechtbank houdt het er dus op dat belanghebbende pas op 14 december 2023 bekend is geworden met de uitspraak op bezwaar en dat dus toen de beroepstermijn is gaan lopen. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde daardoor op 25 januari 2024. De rechtbank heeft het beroepschrift op 16 januari 2024 ontvangen. Dat is binnen de beroepstermijn en dus tijdig. Het beroep is daarom ontvankelijk.
Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
7. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [7]
7.1.
Belanghebbende heeft een ingebrekestelling verzonden naar de inspecteur omdat, aldus belanghebbende, nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan. De ingebrekestelling is door de inspecteur ontvangen op 11 december 2023. Bij brief van 14 december 2023 heeft de inspecteur aangegeven dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom omdat reeds uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarbij is de uitspraak op bezwaar van 6 april 2020 verzonden naar belanghebbende. De inspecteur heeft binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling gereageerd op belanghebbende en het besluit toegezonden. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een dwangsom.
Heeft belanghebbende recht op aftrek van specifieke zorgkosten en/of studiekosten?
8. Belanghebbende heeft in de aanvulling van het bezwaarschrift aangegeven € 2.242 aan studiekosten en € 5.681,67 aan ziektekosten te willen aftrekken. De bewijslast voor de aftrek van studiekosten ligt bij belanghebbende. Ook voor de aftrek van specifieke zorgkosten ligt de bewijslast om aannemelijk te maken dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt bij belanghebbende. De kosten moeten zijn gemaakt in verband met ziekte of invaliditeit, de kosten moeten boven een bepaalde inkomensafhankelijke drempel uitstijgen en de kosten moeten op de belastingplichtige drukken.
8.1.
De gestelde studiekosten zien op collegegeld, boeken en reiskosten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende hier geen verifieerbare stukken voor overgelegd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning studie gerelateerde kosten en die tevens op belanghebbende drukken. De inspecteur heeft de aftrek van deze gesteld gemaakte kosten naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd.
8.2.
De zorgkosten zijn als volgt opgebouwd:
  • Apotheek: € 522,85
  • Honorarium dokters: € 2.617,21
  • Steunzolen: € 120
  • Ziekenhuis Oost-Limburg: € 126,51
  • [medisch centrum] : € 39,49
  • U.Z. Leuven: € 164,82
  • [kinesitherapie] : € 467,46
8.3.
Belanghebbende heeft voor de apotheekkosten een overzicht van de kosten overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is alleen het zogenoemde remgeld aftrekbaar omdat dit drukt op belanghebbende. Van de apotheekkosten komt daarom € 274,43 voor aftrek in aanmerking. Ook voor de ‘honorarium dokters’ heeft belanghebbende een overzicht van de kosten overgelegd. Ook hier is alleen het zogenoemde remgeld aftrekbaar. Van het ‘honorarium dokters’ komt daarom € 521,79 voor aftrek in aanmerking. De inspecteur acht de kosten van de steunzolen aftrekbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Voor de steunzolen komt daarom € 120 voor aftrek in aanmerking. Uit het factuur van Ziekenhuis Oost-Limburg blijkt dat belanghebbende zelf € 33,20 heeft moeten betalen. Dit bedrag komt daarom voor aftrek in aanmerking. Uit het factuur van UZ Leuven blijkt dat belanghebbende zelf € 9,90 heeft moeten betalen. Dit bedrag komt daarom voor aftrek in aanmerking. Uit het factuur van [kinesitherapie] blijkt dat belanghebbende zelf € 467,46 heeft moeten betalen. Dit bedrag komt daarom voor aftrek in aanmerking. Met de vermenigvuldigingsfactor en na aftrek van het drempelbedrag komt het aftrekbaar bedrag uit op € 1.129. De aanslag IB/PVV 2018 is naar een te hoog bedrag opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient verminderd te worden met een bedrag van € 1.129 en komt aldus uit op € 28.259 minus € 1.129 = € 27.130. Het beroep is in zoverre gegrond.
Heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding?
9. Belanghebbende verzoekt om een immateriëleschadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn. De inspecteur voert aan dat er een periode van 3,5 jaar zit tussen de uitspraak op bezwaar en de ingebrekestelling.
9.1.
Vast staat dat de inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende op 11 februari 2020 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 6 april 2020 uitspraak op bezwaar gedaan maar de uitspraak op bezwaar is pas op 14 december 2023 bekend geworden bij belanghebbende. De rechtbank doet uitspraak op 17 april 2026.
9.2.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bijzondere omstandigheid waarbij de uitspraak op bezwaar op 6 april 2020 al was gedaan door de inspecteur maar dat belanghebbende pas op 14 december 2023 bekend is geworden met deze uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft de inspecteur pas 3,5 jaar later in gebreke gesteld. Hoewel niet aannemelijk is gemaakt dat de inspecteur de uitspraak op bezwaar op 6 april 2020 heeft verzonden, heeft belanghebbende op geen enkel eerder moment aan de bel getrokken dat de uitspraak op bezwaar werd verwacht. Bij die stand van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de periode van 6 april 2020 tot en met 14 december 2023 niet te worden meegenomen in de berekening of de redelijke termijn is overschreden. [8] Dit is een periode van 45 maanden.
9.3.
In totaal is de redelijke termijn overschreden met 51 maanden overschreden. Zonder de periode van 6 april 2020 tot en met 14 december 2023 is de redelijke termijn met 6 maanden overschreden. Voor de schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. [9] Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. Dit bedrag komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat de aanslag IB/PVV 2018 niet naar de juiste hoogte is opgelegd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een ingevuld formulier proceskosten ingevuld. Hierop zijn € 77,08 aan reiskosten opgegeven. De inspecteur is akkoord met de proceskosten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2018;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2018 naar een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.130;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 77,08 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [10]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
7.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
8.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1037.
9.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
10.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.