Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3124

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/4184
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8 Wet IB 2001Art. 21bis Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift en kwalificerende buitenlandse belastingplicht

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2023, waarbij hij werd aangemerkt als niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. De inspecteur verklaarde het bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens te late indiening en wees het verzoek om ambtshalve vermindering af. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk was omdat het te laat was ingediend zonder verschoonbare reden.

Belanghebbende had in 2023 een belastbaar inkomen uit Nederland en Kroatië, waarbij 89% van het inkomen in Nederland werd belast, net onder het vereiste 90%-criterium voor kwalificerende buitenlandse belastingplicht. De rechtbank bevestigde dat de inspecteur terecht geen ambtshalve vermindering verleende, mede omdat lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie geen grond vormen voor vermindering.

De rechtbank wees ook het beroep tegen de belastingrente af, aangezien belanghebbende geen zelfstandige gronden had aangevoerd. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2023 wordt ongegrond verklaard en het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/4184
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 juli 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.742.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 26 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaarschrift aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en drs. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur belanghebbende ten onrechte niet als kwalificerend buitenlands belastingplichtige heeft aangemerkt. De rechtbank beoordeelt eerst of het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft vervolgens terecht de aanslag niet ambtshalve verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende woonde in het onderhavige jaar in Kroatië. Vanaf 5 februari 2024 is belanghebbende ingeschreven op een adres in Nederland.
4.1.
In 2023 ontving belanghebbende uit Nederland € 13.742 van [b.v.] . Hierover werd € 1.393 aan loonheffing ingehouden.
4.2.
In 2023 ontving belanghebbende uit Kroatië € 1.680 als inkomsten voor arbeid.

Motivering

Is het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?
5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na dagtekening van het besluit, tenzij de dag van de dagtekening gelegen is voor de dag van de bekendmaking. [2] In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [3]
5.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
5.2.
Vast staat dat de dagtekening van de aanslag IB/PVV 2023 7 maart 2025 is. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 18 april 2025. Belanghebbende heeft een document van de Kroatische Belastingdienst opgestuurd naar de inspecteur. Deze is door de inspecteur op 11 maart 2025 ontvangen. Bij het document is verder geen toelichting meegezonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit document niet als (prematuur) bezwaarschrift worden aangemerkt. Belanghebbende heeft later een bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2023 ingediend. Het bezwaarschrift is door de inspecteur op 5 juni 2025 ontvangen. Het bezwaarschrift is niet tijdig ingediend.
5.3.
Belanghebbende stelt dat het niet eerder mogelijk was om een officiële inkomensverklaring te verkrijgen omdat het niet mogelijk was om op korte termijn naar Kroatië te reizen. Voor zover belanghebbende hiermee stelt dat hij niet eerder in bezwaar kon gaan tegen de aanslag IB/PVV 2023, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Belanghebbende had geen verhindering om bezwaar te maken, kon dit op tijd doen maar heeft het niet gedaan. Het bezwaarschrift is naar het oordeel van de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard door de inspecteur.
Het verzoek om ambtshalve vermindering
6. De inspecteur heeft het niet-ontvankelijk verklaarde bezwaarschrift vervolgens behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen die beslissing van de inspecteur. Partijen wensen echter een uitspraak van de rechtbank op dit punt en de rechtbank zal aldus prorogatie toepassen. De rechtbank zal het beroepschrift op dit punt dus behandelen en toetsen of de inspecteur de aanslag ambtshalve had moeten verminderen.
6.1.
De inspecteur voert aan dat belanghebbende niet kwalificeert als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige aangezien belanghebbende niet voldoet aan het 90%-criterium van artikel 7.8, zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Belanghebbende voldoet, aldus de inspecteur, ook niet aan artikel 7.8, achtste lid, van de Wet IB jo. artikel 21bis, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet IB 2001, omdat belanghebbende geen pensioen, lijfrente of een soortgelijke uitkering ontving.
6.2.
In 2023 ontving belanghebbende uit Nederland € 13.742 van [b.v.] . en € 1.680 vanuit Kroatië. 89% van het inkomen van belanghebbende is in Nederland aan de inkomstenbelasting onderworpen. Dat is net minder dan 90%, waardoor niet voldaan wordt aan artikel 7.8, zesde lid, van de Wet IB.
6.3.
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de nationaalrechtelijke regeling van de kwalificerende buitenlandse belastingplicht. Het geschil ligt nog voor bij het Hof van Justitie. De uitkomst van dit geschil kan belanghebbende in het kader van een verzoek om ambtshalve vermindering niet baten omdat er geen ambtshalve vermindering wordt verleend als de onjuistheid van de aanslag volgt uit nieuwe jurisprudentie. [5]
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering afwijzen, zoals hij heeft gedaan.
Belastingrente
7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Hoge Raad 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:667.