Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3085

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23/11455
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen naheffingsaanslag BPM wegens afschrijvingsmethode en termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €6.654 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de juiste afschrijvingsmethode voor een BMW 230I XDrive, waarbij belanghebbende een taxatiemethode toepaste wegens vermeende schade aan de auto. De inspecteur betwistte dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade had, mede gelet op de leeftijd van zes jaar en 53.459 kilometer op de teller. Hierdoor kon de taxatiemethode niet worden toegepast en moest de koerslijstmethode worden gevolgd. Op basis van de historische nieuwprijs, handelsinkoopwaarde en bruto BPM werd de verschuldigde BPM vastgesteld en de naheffingsaanslag verlaagd naar €4.158.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van het bezwaar met ongeveer elf maanden was overschreden. Belanghebbende kreeg daarom een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend, welke voor rekening van de Staat komt. De rechtbank veroordeelde tevens de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en griffier R.M.P. Dees op 15 april 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Belanghebbende kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €4.158 en belanghebbende krijgt een schadevergoeding van €1.000 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11455
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services BV),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.654.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag in stand gelaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin en namens de inspecteur
mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2].

Feiten

2. Belanghebbende heeft op 3 februari 2023 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW 230I XDrive met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.298.
2.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 8.952 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast.
Afschrijvingsmethode
3.1.
Belanghebbende stelt dat de taxatiemethode kan worden toegepast omdat sprake is van schade aan de auto. De inspecteur betwist dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade
3.2.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto zes jaar oud is en 53.459 kilometer heeft gereden. Al hetgeen de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling.
3.3.
Het voorgaande brengt met zich dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. De rechtbank leidt uit de stukken af dat belanghebbende voor dat geval een beroep doet op de koerslijstmethode.
Historische nieuwprijs
3.4.
Tussen partijen is vast komen te staan dat de historische nieuwprijs van de auto
€ 91.697 bedraagt.
Hoogte naheffingsaanslag
3.5.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 91.697, een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 15.325 en een historische bruto Bpm van € 38.640 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast.
3.6.
Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 2.298 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 4.158.
Immateriëleschadevergoeding
4. Belanghebbende heeft op 4 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 26 mei 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 15 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 11 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1000.
4.2.
Omdat de termijnoverschrijding volledig aan de rechtbank is te wijten komt dit bedrag voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 3.200.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond.
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.158.
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000.
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.P. Dees, griffier op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.