Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3083

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/1799
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.2 WooArt. 5.1 WooArt. 5.2 WooArt. 8:29 AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gedeeltelijke openbaarmaking Woo-verzoek inzake ISDE-subsidie

Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) informatie over de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) openbaar te maken. De minister maakte slechts een deel van de gevraagde documenten openbaar, waarna eiser bezwaar maakte. De minister verklaarde het bezwaar deels gegrond, maar eiser ging in beroep tegen het bestreden besluit.

De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de minister ten onrechte alleen documenten betrok die niet ook bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aanwezig waren en al door RVO waren beoordeeld. Dit vormde een gebrek in het besluit. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat documenten ontbraken en dat de minister terecht passages had gelakt in de openbaar gemaakte stukken.

De rechtbank gaf de minister de gelegenheid het gebrek in het besluit te herstellen binnen vier weken en bepaalde dat de minister binnen twee weken moest meedelen of hij van deze mogelijkheid gebruik wilde maken. De verdere beslissing werd aangehouden tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit moet herstellen door ook documenten openbaar te maken die bij RVO aanwezig zijn en al beoordeeld zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1799 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister.

Procesverloop

1 . Eiser heeft op 7 augustus 2023 met een beroep op de Wet open overheid (Woo) de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en/of het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en/of de Staat der Nederlanden verzocht informatie openbaar te maken over de totstandkoming en uitvoering van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
1.1.
In een brief van 29 november 2023 aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties constateert de minister van Economische Zaken en Klimaat, waar de RVO hoofdzakelijk onder valt, dat het Woo-verzoek gedeeltelijk gaat over documenten die bij de minister aanwezig zijn. Voor dat gedeelte wordt het Woo-verzoek in deze brief doorgezonden aan de minister.
1.2.
De minister heeft op 7 augustus 2024 een besluit op het doorgezonden Woo-verzoek genomen waarbij de opgevraagde informatie gedeeltelijk openbaar is gemaakt (het primaire besluit).
1.3.
Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
1.4.
Op 11 februari 2025 heeft de minister in de beslissing op bezwaar het bezwaar deels gegrond verklaard (het bestreden besluit).
1.5.
Eiser heeft hier op 10 maart 2025 beroep tegen ingesteld.
1.6.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de minister deelgenomen: [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] . Eiser is met bericht van verhindering niet verschenen.
Beroepsgronden
2. Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat de minister ten onrechte documenten die ook bij de RVO aanwezig zijn en in het kader van het Woo-verzoek door de RVO al beoordeeld zijn niet openbaar gemaakt heeft. Daarnaast stelt eiser dat er documenten in de openbaar gemaakte stukken ontbreken. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank om grondig te onderzoeken of de minister passages in de openbaar gemaakte stukken terecht gelakt heeft.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit tot (gedeeltelijke) openbaarmaking op grond van de Woo. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank daarvoor kennisgenomen van de niet-openbaargemaakte informatie voor zover hier in geschil.
Wettelijk kader
4. Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden. Omdat het Woo-verzoek van eiser van na deze datum is, is de Woo dus op deze zaak van toepassing.
Omvang doorgezonden Woo-verzoek
5. Eiser kan zich er niet mee verenigen dat de minister bij het bestreden besluit alleen documenten heeft betrokken die niet ook bij RVO aanwezig zijn en al door de RVO beoordeeld zijn.
5.1.
De minister heeft ter zitting meegedeeld dat het niet nodig was die stukken opnieuw te beoordelen omdat het verzoek met de doorzending beperkt was..
5.2.
Artikel 4.2, eerste lid, van de Woo bepaalt dat voor zover het verzoek betrekking heeft op informatie die berust bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat bestuursorgaan wordt verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het voor zover betrekking hebbend op informatie die bij een ander bestuursorgaan berust, onverwijld doorgezonden aan dat bestuursorgaan, onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat het doorzendbericht van de RVO van 29 november 2023 de oorspronkelijke omvang van het Woo-verzoek van eiser voor de minister inkadert (het ingekaderde Woo-verzoek). In de doorzendbrief staat: “Een deel van het verzoek gaat over documenten die aanwezig zijn bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Dit gedeelte van het verzoek handelt RVO af.” In de e-mail van RVO aan de minister van dezelfde datum wordt een onderscheid gemaakt. Voor de documenten onder de punten één tot en met drie wordt opgemerkt dat RVO geen documenten heeft aangetroffen en dat het verzoek (daarom) wordt doorgezonden. Blijkens de e-mail gaat het om de volgende stukken:
- Alle documenten die tot de termijn van twaalf maanden voor het uitvoeren van minimaal twee maatregelen hebben geleid;
- Alle documenten die op of onder het Ministerie en/of Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aanwezig zijn die hebben bijgedragen om de termijn van twaalf maanden naar 24 maanden te verlengen;
- Alle documenten betreffende een correcte overgangsregeling van 12 maanden naar 24 maanden.
5.4.
Voor de documenten onder de punten vijf tot en met zeven wordt opgemerkt dat RVO nog een zoekslag moet verrichten en een tweede deelbesluit zal nemen maar dat het verzoek daarnaast ook aan verweerder wordt doorgezonden. Blijkens de e-mail gaat het om de stukken:
- Alle correspondentie tussen Vereniging Eigen Huis en de Ministeries en RVO.
- Alle stukken die direct of indirect met de Vereniging Eigen Huis te maken hebben betreffende dit onderwerp en/of alle klachten die door aanvragers zijn ingediend.
- De besluitvorming op de factsheet Resultaten meldpunt subsidie verduurzaming ISDE pdf.
5.5.
Dit betekent dat de minister een besluit moest nemen op grond van dit ingekaderde Woo-verzoek. In beginsel had de minister daarom – behoudens eventuele gronden om te weigeren – alle documenten openbaar moeten maken die binnen de reikwijdte van het ingekaderde Woo-verzoek vallen en waarover hij de beschikking had, voor wat betreft de onder 5.4 genoemde documenten ongeacht of deze documenten al door de RVO openbaar waren gemaakt of beoordeeld waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarom ten onrechte alleen documenten betrokken bij het bestreden besluit die niet ook bij RVO aanwezig waren en al door de RVO beoordeeld waren. Dit is een gebrek in het besluit. Deze beroepsgrond slaagt.
Ontbreken van documenten
6. Volgens eiser zijn de stukken die de minister openbaar heeft gemaakt onvolledig. Hij betwist dat er binnen het ministerie geen documenten aanwezig zijn waarin de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO onderbouwd worden. In de openbaar gemaakte documenten is namelijk wel te lezen dat ambtenaren van het ministerie van de minister vragen naar deze onderbouwing. Ook zou er zelfs in de Kamer over de klachten en problematiek rondom de ISDE gesproken.
6.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bij besluiten over de openbaarmaking van documenten op grond van de Woo het bestuursorgaan voldoende inzichtelijk moet maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. [1]
6.2.
De minister heeft in zijn verweerschrift aangegeven hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden. De minister stelt dat ten aanzien van de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO gezocht is op ‘uitvoeringstechnische bezwaren’, ‘uitvoeringstechnische bezwaren RVO’, ‘RVO uitvoeringstechnische bezwaren’ en “termijn 12 maanden’. Volgens de minister dekt dit de lading. Ook is in het verweerschrift opgenomen welke systemen bij het zoeken zijn geraadpleegd. Zo is volgens de minister met de genoemde zoektermen gezocht binnen het mailverkeer van de beleidsmedewerkers binnen het ministerie die inhoudelijk betrokken zijn geweest bij de afstemming over de uitvoeringstermijn en is er gezocht in het documentmanagementsysteem van het ministerie, genaamd Digidoc. De minister wijst erop dat mogelijk nadere argumenten omtrent de uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO met medewerkers van zijn ministerie mondeling, telefonisch of via een videoverbinding zijn gedeeld, zodat deze niet zijn vastgelegd. De minister wijst er verder op dat in verschillende passages in de documenten die zijn verstrekt wel degelijk wordt ingegaan op uitvoeringstechnische bezwaren van de RVO omtrent de termijn. In dat kader verwijst de minister naar de documenten [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] .
6.3.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Voor zover openbaarmaking wordt verzocht van documenten die niet bij het bestuursorgaan berusten maar wel bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, mag van dit bestuursorgaan worden verwacht dat het al het redelijkerwijs mogelijke doet om deze documenten alsnog te achterhalen. [2]
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet concreet heeft gemaakt wat er niet klopt aan de zoekslag van de minister. Ook heeft eiser niet concreet en aannemelijk gemaakt dat en welke documenten er ontbreken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Zijn de documenten op goede gronden gelakt?
7. Eiser heeft de rechtbank verzocht grondig te onderzoeken of de minister om gegronde redenen passages in de openbaar gemaakte stukken heeft gelakt.
7.1.
De bestuursrechter toetst bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan de uitzonderingsgronden uit artikel 5. 1 en artikel 5.2 van de Woo zonder terughoudendheid of het door het bestuursorgaan ingeroepen andere belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking zich voordoet. Een bestuursorgaan heeft bij de te maken afweging tussen het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang beoordelingsruimte, waardoor de bestuursrechter de afweging van een bestuursorgaan terughoudend toetst. [3]
7.2.
De rechtbank stelt vast dat documenten [nummer 1] en [nummer 5] , met gedeeltelijk dezelfde inhoud, verschillend openbaar gemaakt zijn. Dat geldt ook voor documenten [nummer 6] en [nummer 7] . Desondanks leiden deze fouten naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Als een document eenmaal openbaar gemaakt is, dan is dat document openbaar. Dat hetzelfde document op een andere plaats gelakt is, maakt dan niet meer uit.
7.3.
Voor wat betreft de door de minister in de overige documenten gelakte passgages, heeft de rechtbank geen passages aangetroffen die de minister ten onrechte gelakt heeft of ten aanzien waarvan de belangenafweging de toets der kritiek niet zou kunnen doorstaan. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
De tussenconclusie
8. Zoals hiervoor is overwogen onder r.o. 5.5. bevat het bestreden besluit een gebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan uitsluitend met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
8.1.
De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
8.2.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt de minister in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 16 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3410.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6388.