ECLI:NL:RBZWB:2026:3068

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/4056
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 AwbArt. 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding niet verschoonbaar

Eiseres heeft tegen een last onder dwangsom bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar werd door de minister niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank beoordeelt uitsluitend of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht is, waarbij de inhoudelijke gronden van het bezwaar buiten beschouwing blijven.

De bezwaartermijn begon op 19 april 2025 en eindigde op 2 juni 2025. Het bezwaarschrift van eiseres werd op 4 juni 2025 ingediend, dus te laat. Eiseres stelde dat zij het besluit pas op 22 april 2025 ontving en dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege interne redenen en feestdagen.

De rechtbank oordeelt dat eiseres geen feiten heeft aangevoerd die maken dat zij niet in verzuim was. Het wachten op aanvullende analyseresultaten en het bewust uitstellen van de indiening zijn voor risico van eiseres. Een pro-forma bezwaarschrift had dit kunnen voorkomen. Een belangenafweging is niet mogelijk bij een gebonden bevoegdheid zoals hier.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4056

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: H.J. Boschloo),
en

De minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister

(gemachtigde: mr. R.J. Brighton).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van eiseres haar bezwaarschrift wegens het te laat indienen daarvan. Eiseres is het niet eens met deze beslissing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 18 april 2025 (primair besluit) heeft de minister aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Eiseres heeft op 4 juni 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 2 juli 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat het na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eiseres haar gemachtigde met [persoon 1] en [persoon 2] deelgenomen. Namens de minister zijn verschenen de gemachtigde met mr. H. Kraimi, ing. [persoon 3] en mr. L.C. Joustra.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het primair besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het handhavingsbesluit aan de overtreder is toegezonden. [3] Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van een na afloop ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [4]
Wat is de omvang van het geding?
4. Ter beoordeling ligt aan de rechtbank een beslissing op bezwaar voor waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat de rechter uitsluitend kan beoordelen of de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en meer in het bijzonder of het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. De beroepsgronden van eiseres die zien op de inhoud van de opgelegde last onder dwangsom, vallen daarom buiten de omvang van dit geding.
Wat zijn de gronden van eiseres?
5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister haar bezwaar ontvankelijk had moeten verklaren.
Zij heeft daarbij aangevoerd dat vanwege de feestdagen zij het primair besluit van 18 april 2025 pas op 22 april 2025 heeft ontvangen en op 23 april 2025 inhoudelijk kennis heeft kunnen nemen van dit besluit. Als vanaf 23 april 2025 gerekend wordt, eindigde de bezwaartermijn op 4 juni 2025 en was haar bezwaarschrift tijdig ingediend.
Daarnaast heeft zij aangevoerd dat als het bezwaarschrift al te laat was, deze termijnoverschrijding verschoonbaar was. Het concept-bezwaarschrift was op 23 mei 2025 al gereed. Eiseres heeft bewust gewacht met indiening om de meest recente analyseresultaten uit intern onderzoek te kunnen meenemen. Een samenloop van omstandigheden – verlofdag na Hemelvaart en late ontdekking van nog niet verzending – heeft vervolgens geleid tot een relatief geringe en onopzettelijke overschrijding van de termijn. De gevolgen van niet-ontvankelijkverklaring zijn onevenredig groot in verhouding tot het belang van strikte handhaving van de termijn. Hierom had de minister de termijnoverschrijding verschoonbaar moeten achten.
Heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt?.
6. Uit de Awb [5] volgt dat de bezwaartermijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dit betekent dat in dit geval op 19 april 2025 de bezwaartermijn is aangevangen. De zes weken-termijn eindigde op zaterdag 31 mei 2025. Uit de Algemene termijnenwet volgt dat een termijn niet eindigt op een zaterdag, zondag of feestdag [6] . Dat betekent dat in dit geval de bezwaartermijn eindigde op maandag 2 juni 2025.
Het bezwaarschrift van eiseres is van 4 juni 2025 en is op diezelfde datum ingediend. De rechtbank stelt vast dat dit na het einde van de bezwaartermijn is. Dat betekent dat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
7. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [7] Daarvan is sprake als uit feiten en omstandigheden van het geval blijkt dat het te laat indienen van het bezwaarschrift niet aan de indiener toe te rekenen is. [8]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest. Eiseres is bijgestaan door een professioneel gemachtigde. Dat die gemachtigde heeft gekozen om te wachten met het indienen van een bezwaarschrift omdat nog analyseresultaten werden verwacht, komt voor rekening en risico van eiseres.
De rechtbank merkt daarbij op dat eiseres er ook voor had kunnen kiezen om eerst een pro-forma bezwaarschrift in te dienen. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.
Is er ruimte voor een algemene belangenafweging?
8. Bij de beoordeling van de termijnoverschrijding is de – enige – vraag die door het bestuursorgaan – in dit geval de minister – en door de bestuursrechter moet worden beantwoord of “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.” Bij de toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb gaat het om een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, het rechtsmiddel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn. [9]

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier, op 17 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
6.Artikel 1 van Pro de Algemene termijnenwet.
7.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6143.
9.Zie de uitspraak van de grote kamer van de College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.