ECLI:NL:RBZWB:2026:3067

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
26/1970
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens drugshandel

De burgemeester van Tilburg heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten om de huurwoning van verzoeker te sluiten voor een periode van één maand vanwege de aanwezigheid van handelshoeveelheden harddrugs en aanwijzingen voor drugshandel, waaronder een geladen vuurwapen en een machete.

Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 15 april 2026 en oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat het besluit noodzakelijk en evenwichtig was. De aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs en meldingen van overlast rechtvaardigen de sluiting.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker voldoende op de hoogte was van de situatie en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de sluiting onevenredig maakten. Ook de belangen van minderjarige kinderen werden niet als zwaarwegend aangemerkt. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens drugshandel wordt afgewezen en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1970

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Bewindvoeringskantoor Noord-Brabant B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [verzoeker] uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. de Goede),
en

de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting TBV Wonen uit Tilburg .

Procesverloop

1. Met het besluit van 11 maart 2026 heeft de burgemeester [verzoeker] op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast zijn huurwoning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) met ingang van 31 maart 2026 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van één maand, op straffe van toepassing van bestuursdwang. [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en ook om een voorlopige voorziening verzocht.
1.1.
Op 30 maart 2026 heeft de burgemeester de rechtbank bericht dat het besluit zal worden opgeschort tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker] , bijgestaan door zijn gemachtigde, en mr. D.L.M. Claessen namens de burgemeester.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?
2. De bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten is niet weersproken. Het gaat ook om hoeveelheden aangetroffen harddrugs die de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruim overschrijden. Daarnaast zijn in de woning andere zaken aangetroffen die duiden op drugshandel, zoals een geladen vuurwapen en een machete.
Mocht de burgemeester gebruik maken van zijn bevoegdheid?
Is sluiting een geschikt middel?
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sluiting van de woning in het algemeen een geschikt middel is om de doelen te bereiken die de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het tegengaan van drugshandel, verdere overtredingen in of vanuit de woning voorkomen, risico’s voor omwonenden wegnemen en een signaal afgeven aan drugscriminelen en buurtbewoners dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester deze doelen ook na een tijdsverloop van drie tot vier maanden (instap op 23 november 2025 tot bestreden besluit op 11 maart 2026) nog zou kunnen bereiken. Namens [verzoeker] is nog aangevoerd dat het bestuursrechtelijke traject niet geschikt is omdat het om burenoverlast zou gaan. Daarin volgt de voorzieningenrechter hem niet. De burgemeester mocht tot uitgangspunt nemen dat er daadwerkelijk ook drugsgerelateerde meldingen zijn.
Is de sluiting noodzakelijk?
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft onderbouwd dat sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Er zijn handelshoeveelheden harddrugs aangetroffen in de woning. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. [1] In dit geval zijn er echter ook vele meldingen van, deels drugsgerelateerde, overlast binnengekomen bij zowel de politie als de verhuurder. Uit deze meldingen blijkt dat sprake was van een aanloop naar de woning. Daarnaast werden voorwerpen aangetroffen in de woning die duiden om drugshandel, zoals een geladen vuurwapen en een machete. De burgemeester heeft daarbij aan de hand van het overgelegde kaartje gemotiveerd gesteld dat de woning is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk
.
Is de sluiting evenwichtig?
5. De voorzieningenrechter is daarnaast van oordeel dat de sluiting van de woning in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Vast staat dat [verzoeker] op de hoogte was van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning, zodat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Dat sprake is van een bijzondere binding met de woning is niet gebleken. De voorzieningenrechter neemt aan dat [verzoeker] gehecht is aan de woning, maar dat is niet voldoende. Niet gebleken is dat hij vanwege bijzondere omstandigheden gebonden is aan juist deze woning. [2] Inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is de eigen verantwoordelijkheid van [verzoeker] om vervangende woonruimte te vinden. Dat de nadelige gevolgen van de sluiting daadwerkelijk onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Onder meer is nog niet zeker of deze sluiting tot gevolgen voor de huurovereenkomst leidt, nu tot op de zitting geen stappen door de verhuurder zijn gezet. Ook als het besluit gevolgen heeft voor de huurovereenkomst, is dat nog niet onevenredig. Ook van gevolgen voor de minderjarige kinderen van [verzoeker] is onvoldoende gebleken. De kinderen zijn niet ingeschreven op dit adres en er is geen omgangsregeling of iets dergelijks op papier. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] de opvangtaken (naar eigen zeggen: 4 - 5 keer per maand) ook in de woning van de moeder van de kinderen op zich kan nemen en dat hij dat ook al doet.
De voorzieningenrechter concludeert dus dat de kans dat het bewaar slaagt klein is, zodat de burgemeester in dit geval gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid. Ook in de belangenafweging ziet de voorzieningenrechter geen reden om het besluit te schorsen.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat de woning voor een periode van één maand gesloten kan worden door de burgemeester.
Daarbij heeft de burgemeester op zitting toegezegd dat na de uitspraak nog 6 tot 8 kalenderdagen respijt wordt gegeven vóór de daadwerkelijke sluiting.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026 door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (r.o. 9.2).
2.ABRvS 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:377 (r.o. 4.3.2) en