ECLI:NL:RBZWB:2026:3017

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
12106864 VV EXPL 26-19 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 RvArt. 358 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen onderbewindgestelde tot schorsing en verbod verkoop woning

De onderbewindgestelde, eigenaar van een woning, vordert in kort geding dat de verkoop van zijn woning door de bewindvoerder wordt verboden en geschorst. De kantonrechter had eerder toestemming gegeven voor verkoop, maar deze beschikking was niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De onderbewindgestelde is ontevreden over zijn huurwoning en wil in zijn koopwoning blijven. Hij stelt dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor is geschonden bij de eerdere beslissing. De bewindvoerder voert aan dat de verkoop noodzakelijk is vanwege dubbele lasten en dat zij bij hoger beroep de verkoopvoorbereidingen zal staken.

De rechtbank oordeelt dat het ingestelde hoger beroep automatisch schorsende werking heeft op de beschikking, waardoor de vorderingen van de onderbewindgestelde geen belang hebben. Er zijn geen aanwijzingen dat de bewindvoerder de verkoop zal voortzetten ondanks het hoger beroep. De vorderingen worden daarom afgewezen en de onderbewindgestelde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot schorsing en verbod van de tenuitvoerlegging van de verkoopbeslissing worden afgewezen vanwege het hoger beroep met schorsende werking.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12106864 \ VV EXPL 26-19
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. S.J.C. Marijnissen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon, vertegenwoordigd door de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (die werkzaam zijn bij [gedaagde] ).

1.De zaak in het kort

De goederen van [eiser] zijn onder bewind gesteld en [gedaagde] is benoemd tot bewindvoerder. Bij beschikking van 29 januari 2026 heeft de kantonrechter toestemming gegeven aan [gedaagde] om tot verkoop en levering van de woning van [eiser] over te gaan. Het gaat in deze zaak om vorderingen van [eiser] om de tenuitvoerlegging van de voornoemde beslissing te verbieden en te schorsen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. Hierna zal worden uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 februari 2026 met producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026.
2.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om [eiser] gelegenheid te geven om te onderzoeken wat een passende oplossing voor hem is. Bij brief van 9 maart 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de kantonrechter medegedeeld dat de inschrijftijd van [eiser] voor een andere huurwoning relatief kort zal zijn en hij belang heeft bij spoedige beëindiging van de huurovereenkomst. Daarnaast heeft de gemachtigde van [eiser] medegedeeld dat [eiser] zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter. De kantonrechter begrijpt uit de brief dat [eiser] vonnis vraagt.

3.De feiten

3.1.
Bij beschikking van 29 juli 2015 heeft de kantonrechter te [plaats] – na een verzoek daartoe – de goederen van [eiser] onder bewind gesteld. Bij beschikking van 18 april 2025 heeft de kantonrechter [gedaagde] als opvolgend bewindvoerder over de goederen van [eiser] benoemd.
3.2.
[eiser] is eigenaar van de woning aan [adres 1] .
3.3.
Op advies van de begeleider van [eiser] is voor [eiser] een huurwoning gevonden van TBV Wonen aan [adres 2] omdat die beter passend zou zijn dan zijn koopwoning en hij in de huurwoning (meer) passende zorg zou kunnen afnemen.
3.4.
Op 21 augustus 2025 is [eiser] naar de huurwoning aan [adres 2] verhuisd.
3.5.
Bij beschikking van 29 januari 2026 heeft de kantonrechter te [plaats] toestemming verleend aan [gedaagde] voor verkoop en levering van de woning aan [adres 1] voor minimaal € 275.000,00. De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.6.
[eiser] is ontevreden over de huurwoning en is op 26 november 2025 terugverhuisd naar zijn koopwoning aan [adres 1] . [eiser] heeft aangegeven hoger beroep in te stellen bij het Gerechtshof ’s Hertogenbosch tegen de beschikking van 29 januari 2026.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert samengevat dat:
I. het [gedaagde] verboden wordt om de beschikking van de kantonrechter te [plaats] van 29 januari 2026 ten uitvoer te leggen en/of de executie van de beschikking en/of de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van de toestemming tot verkoop en levering van de woning aan [adres 1] wordt vernietigd, en
II. de tenuitvoerlegging van de beschikking van de kantonrechter te [plaats] van 29 januari 2026 ten aanzien van de toestemming tot verkoop en levering van de woning aan [adres 1] wordt geschorst totdat (primair) het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan dan wel totdat (subsidiair) op het door [eiser] tegen de beschikking ingestelde hoger beroep is beslist dan wel (meer subsidiair) tot het moment dat het gerechtshof in hoger beroep op de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft beslist, en
III. [gedaagde] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
4.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [eiser] wil wegens slechte ervaringen niet terug naar de huurwoning en wil in zijn koopwoning blijven. De huurwoning aan [adres 2] is niet passend. [eiser] heeft er recht en belang bij dat niet tot tenuitvoerlegging van de beschikking van 29 januari 2026 wordt overgegaan totdat daarover in hoger beroep is beslist. [eiser] is bij het verzoek tot vervangende toestemming tot verkoop en levering van zijn koopwoning bij de kantonrechter niet in de gelegenheid gesteld zijn visie kenbaar te maken. Daardoor is het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert onder meer het volgende aan. [eiser] heeft de huurwoning geaccepteerd en vanwege de dubbele lasten die er momenteel zijn, is het in het belang van [eiser] dat zijn koopwoning wordt verkocht. [gedaagde] zal bij hoger beroep stoppen met voorbereidingen om tot verkoop over te gaan. [gedaagde] benadrukt dat zij zich niet aansprakelijk acht voor schulden die ontstaan door het eigen handelen van [eiser] .
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Is [eiser] ontvankelijk tot het instellen van de vorderingen?
5.1.
[eiser] is deze procedure gestart tegen [gedaagde] omdat hij het niet eens is met de door de kantonrechter bij beschikking van 29 januari 2026 gegeven machtiging aan [gedaagde] tot verkoop en levering van zijn woning aan [adres 1] . [eiser] die belanghebbende is in de procedure die ziet op de machtiging kan op grond van artikel 358 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hoger beroep instellen van die beslissing. Gelet daarop en zijn recht op toegang tot de rechter bij een geschil met de bewindvoerder, zal [eiser] in dit kort geding ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen (ECLI:NL:GHARL:2022:1093).
Vordering tot schorsing
5.2.
Namens [eiser] is ter zitting gesteld dat er hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter te [plaats] van 29 januari 2026 tot verkoop van diens woning aan [adres 1] . [gedaagde] heeft het ingestelde hoger beroep niet (althans onvoldoende) betwist, zodat de kantonrechter inmiddels ingesteld hoger beroep zal aannemen. Het ingestelde hoger beroep heeft op grond van artikel 350 Rv Pro automatisch schorsende werking en dat wil zeggen dat de beschikking van 29 januari 2026 niet ten uitvoer mag worden gelegd. Dit omdat de beschikking van 29 januari 2026 niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 29 januari 2026 zal daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Verbod tot ten uitvoerlegging
5.3.
Daarnaast vordert [eiser] dat het [gedaagde] verboden wordt om de beschikking van 29 januari 2026 ten uitvoer te leggen. Gezien de voornoemde schorsende werking geldt dat voor toewijzing van het gevorderde verbod plaats kan zijn als er aanleiding is te veronderstellen dat [gedaagde] ondanks de schorsende werking van de beschikking zal overgaan tot verkoop en levering van de woning. De kantonrechter zijn geen omstandigheden gebleken waaruit volgt dat [gedaagde] de verkoop en levering van de woning zal doorzetten. Ter zitting heeft [gedaagde] juist aangegeven te stoppen als hoger beroep schorsende werking heeft. Het gevorderde verbod zal daarom bij gebrek aan gebleken belang worden afgewezen.
5.4.
[eiser] vordert ook vernietiging van de executie van de beschikking van 29 januari 2026. Deze vordering is niet toewijsbaar omdat in dit kort geding geen rechtsvaststellend oordeel kan worden gegeven. Overigens is ook nog geen sprake van een al uitgevoerde executie, in die zin dat al is overgegaan tot verkoop en levering van de woning.
Proceskosten
5.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [gedaagde] is op de mondelinge behandeling zonder gemachtigde verschenen. Op 6 februari 2023 heeft het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) aanbevolen dat indien een gedaagde op een zitting verschijnt een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten wordt toegekend. De kantonrechter ziet gelet hierop aanleiding [eiser] te veroordelen tot het betalen van € 50,00 aan proceskosten van [gedaagde] .

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 50,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.