Eiseres heeft op 27 juni 2025 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-uitkering ingediend bij het UWV, dat dit verzoek op 30 juni 2025 ontving. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn van acht weken een besluit genomen, waardoor eiseres het UWV op 29 september 2025 in gebreke stelde. Na het verstrijken van de ingebrekestelling heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Hoewel het UWV een langere beslistermijn van 40 weken verzocht vanwege een tekort aan verzekeringsartsen, acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing te waarborgen.
De rechtbank legt het UWV op binnen vier maanden na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen en stelt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000,- in voor het geval het UWV deze termijn overschrijdt. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres.