Eiseres heeft op 27 juni 2025 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-uitkering ingediend bij het UWV, dat dit verzoek op 30 juni 2025 ontving. Volgens de wettelijke beslistermijn had het UWV uiterlijk op 25 augustus 2025 moeten beslissen. Nadat het UWV niet binnen deze termijn had beslist, stelde eiseres het UWV op 29 september 2025 in gebreke, waarna het UWV op 2 oktober 2025 de ingebrekestelling ontving.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV heeft als reden voor de vertraging het tekort aan verzekeringsartsen aangevoerd en verzocht om een beslistermijn van 40 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden na verzending van het vonnis redelijk en passend, waarbij het belang van zorgvuldige besluitvorming en het belang van tijdige beslissing worden afgewogen.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet het UWV het griffierecht van € 397,- en proceskosten van € 467,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 10 april 2026.