ECLI:NL:RBZWB:2026:2970
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang derdelander uit Oekraïne
Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef in een opvanglocatie en kreeg een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Na afwijzing van zijn beroep en hoger beroep tegen dit besluit, werd hem medegedeeld dat hij de opvang moest verlaten. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening vanwege het ontbreken van alternatieve woonruimte, medische omstandigheden en een beroep op artikel 8 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief waarin de beëindiging van de opvang werd medegedeeld geen besluit in de zin van de Awb was, maar slechts een mededeling over de gevolgen van het terugkeerbesluit. De rechter stelde vast dat de bezwaren van verzoeker betrekking hadden op het terugkeerbesluit zelf, dat in deze procedure niet aan de orde kon komen.
Ook het beroep op medische omstandigheden en artikel 8 EVRM Pro kon niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening, omdat deze niet zien op de wijze van beëindiging van de opvang. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af, met inachtneming van een eerder getroffen ordemaatregel waardoor de opvang uiterlijk op 21 april 2026 verlaten moet zijn.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de opvang wordt afgewezen; verzoeker moet uiterlijk 21 april 2026 de opvang verlaten.