Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2931

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/3927
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdheidsuitspraak inzake voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2020 ongegrond verklaard

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026, waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard voor zover het beroep ziet op het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen op de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020. Daarnaast werd het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

In het verzet heeft belanghebbende geen nieuwe gronden aangevoerd die de eerdere uitspraak zouden kunnen wijzigen. De rechtbank heeft het verzet beoordeeld aan de hand van de aangevoerde gronden en is tot het oordeel gekomen dat het verzet ongegrond is. Er is geen aanleiding om de eerdere uitspraak te herzien.

De rechtbank benadrukt dat belanghebbende niet heeft verzocht om een mondelinge behandeling en dat ook anderszins geen onjuistheden in de eerdere uitspraak zijn gebleken. Het verzet wordt daarom verworpen en de uitspraak van 12 januari 2026 blijft in stand. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van 12 januari 2026 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van

[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur en ontvanger van de Belastingdienst, de inspecteur/ontvanger.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2026 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard voor zover het beroep ziet op het dwangbevel en de terugbetaling van betaalde bedragen op de voorlopige aanslag IB/PVV 2020, en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 12 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat zij onbevoegd is en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. Belanghebbende vraagt in verzet om een kopie van het besluit tot vernietiging van het dwangbevel tot betaling van de voorlopige aanslag, gedateerd op 11 januari 2023 met aanslagnummer [bsn] .H.00.02.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Belanghebbende heeft in verzet geen gronden aangevoerd die zien op de uitspraak van 12 januari 2026. Ook anderszins is niet gebleken dat die uitspraak onjuist is.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).