Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2929

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/432707 FA RK 25-1169 en C/02/436414 FA RK 25-2979
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Coolwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sub a onder i Brussel IIter-Verordening nr. 2019/1111Art. 10:56 BWArt. 10:33 BWArt. 10:31 BWArt. 10:32 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en afwikkeling huwelijksvermogensregime met internationaal karakter en toepassing wagonstelsel

Partijen, gehuwd in Turkije in 1995, verzoeken de echtscheiding uit te spreken en het huwelijksvermogensregime af te wikkelen. De rechtbank bevestigt haar internationale bevoegdheid en erkent het Turkse huwelijk. De echtscheiding wordt toegewezen wegens duurzame ontwrichting.

Met betrekking tot het huwelijksvermogensregime past de rechtbank het Haags Huwelijksvermogensverdrag toe, waarbij Turks recht geldt tot 21 oktober 2006 en Nederlands recht daarna, het zogenoemde wagonstelsel. De woning in Nederland is verkocht en de opbrengst verdeeld; de woning in Turkije wordt door de vrouw overgenomen tegen betaling.

De rechtbank oordeelt dat schulden aan gemeente Rotterdam, CJIB en ICS niet bijzonder verknocht zijn aan de man en derhalve gelijkelijk verdeeld worden. Schulden aan familieleden zijn onvoldoende bewezen en worden niet toegewezen. Verzoeken die zijn ingetrokken worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken en schulden aan gemeente, CJIB en ICS gelijkelijk verdeeld volgens wagonstelsel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/432707 FA RK 25-1169 (echtscheiding) en C/02/436414 FA RK 25-2979 (afwikkeling huwelijksvermogensregime)
13 maart 2026
beschikking betreffende echtscheiding en afwikkeling huwelijksvermogensregime
in de zaak van
[naam],
volgens het uittreksel van de Turkse huwelijksakte voorheen genaamd: [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Aksü te Rotterdam,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. Y.E. Palit te Rotterdam.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 6 maart 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 4 juni 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het op 30 juni 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brief van mr. Palit van 2 januari 2026 met bijlagen;
- het F-formulier van mr. Palit van 5 januari 2026 met bijlage;
- de brief van mr. Aksü van 6 januari 2026 met bijlagen.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 12 januari 2025. Daarbij waren de man met zijn advocaat aanwezig en de advocaat van de vrouw. De vrouw is niet naar de zitting gekomen.
1.3. Na de zitting zijn, met instemming van de rechtbank, de volgende stukken ontvangen:
- het F-formulier van mr. Aksü van 30 januari 2026;
- het F-formulier van mr. Palit van 10 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 1995 in [plaats 1] , Turkije met elkaar gehuwd.
2.2.
Beide partijen hebben de Turkse nationaliteit.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar de rechtbank begrijpt:
I. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;
II. te bepalen dat de woningen gelegen te [woonplaats 1] en [woonplaats 2] worden getaxeerd en verkocht, waarbij de overwaarde bij helfte wordt verdeeld en de vrouw wordt gemachtigd om namens beide partijen alle noodzakelijke handelingen te verrichten voor de verkoop, inclusief het inschakelen van een makelaar, het ondertekenen van de koopovereenkomst en de afwikkeling bij de notaris;
III. de wijze van verdeling van het huwelijksvermogen te gelasten zoals aangegeven in het verzoekschrift onder punten 12 tot en met 17.
Daarnaast voert de vrouw verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man en concludeert tot afwijzing van die verzoeken.
3.2.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt bij beschikking, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, naar de rechtbank begrijpt:
1. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
2. de wijze van verdeling van het huwelijksvermogen te gelasten zoals
aangegeven in zijn zelfstandig verzoek onder punten 7 tot en met 15.
3.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Nu deze zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om te beslissen op dit verzoek en, wanneer dat zo is, welk recht daarop van toepassing is.
in zaaknummer C/02/432707 FA RK 25-1169
Echtscheiding
4.2.
Beide partijen hebben verzocht de echtscheiding uit te spreken, omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
Bevoegdheid
4.3.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot echtscheiding, omdat partijen op het moment van het indienen van het verzoek, hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden (artikel 3 sub a onder Pro i Brussel IIter-Verordening, nr. 2019/1111).
Toepasselijk recht
4.4.
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Erkenning huwelijk
4.5.
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het echtscheidingsverzoek, zal zij gelet op artikel 10:33 BW Pro moeten beoordelen of het tussen partijen in het buitenland gesloten huwelijk kan worden erkend. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat in Nederland niet wordt erkend, niet door de Nederlandse rechter kan worden ontbonden.
4.6.
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste Pro lid van BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW Pro bevat een vermoeden van rechtsgeldigheid, inhoudende dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Uit artikel 10:32 BW Pro volgt dat erkenning van een buiten Nederland gesloten huwelijk (alsnog) wordt geweigerd, als deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
4.7.
Nu de vrouw een gewaarmerkt uittreksel van de Turkse huwelijksakte van partijen heeft overgelegd is de rechtbank van oordeel dat aangenomen moet worden dat tussen de vrouw en de man naar Turks recht een rechtsgeldig huwelijk is gesloten. De rechtbank heeft daarnaast getoetst of (één van) de in artikel 10:32 BW Pro genoemde gronden aanleiding geven om aan het buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning te onthouden. Dat is niet het geval.
Inhoudelijke beoordeling
4.8.
Nu partijen het erover eens zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht zal de rechtbank het over en weer gedane verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
in zaaknummer 436414 FA RK 25-2979
Afwikkeling huwelijksvermogensregime
Bevoegdheid
4.9.
Nu de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, is de Nederlandse rechter tevens internationaal bevoegd ten aanzien van de verzoeken op het gebied van het huwelijksvermogensrecht (artikel 5 lid 1 Europese Pro Huwelijksvermogensrecht Verordening, nr. 2016/1103).
Toepasselijk recht
4.10.
De vrouw stelt dat het Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen omdat dit het recht is van het eerste
huwelijksdomicilie. Ze verwijst hierbij naar het zogenoemde Chelouche-Van Leer arrest.
4.11.
De man stelt dat Turks huwelijksvermogensrecht van toepassing is omdat dit de gemeenschappelijk nationaliteit van partijen was ten tijde van het huwelijk. Hij heeft niet nader onderbouwd op welke regelgeving hij dit standpunt baseert.
4.12.
De rechtbank oordeelt als volgt. Partijen zijn op [datum] 1995 in [plaats 1] , Turkije, met elkaar gehuwd. Dat is na 1 september 1992 (de datum waarop het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 voor Nederland van kracht is geworden) en voor 29 januari 2019 (de datum waarop de Europese Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Nr. 2016/1103) voor Nederland van kracht is geworden), zodat niet het Chelouche-Van Leer arrest maar het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV) bepaalt welk recht het huwelijksvermogensregime beheerst.
4.13.
Gesteld nog gebleken is dat partijen een (geldige) rechtskeuze hebben uitgebracht.
4.14.
De man heeft tijdens de zitting onweersproken gesteld dat hij voor het huwelijk in Nederland woonde en de vrouw in Turkije. Enkele weken na de huwelijksvoltrekking in Turkije, is hij weer naar Nederland vertrokken zonder de vrouw. Zij is in Turkije gebleven. Nadat de vrouw haar verblijfsvergunning voor Nederland had gekregen, is hij haar gaan halen in Turkije en zijn zij, wederom na enkele weken, samen naar Nederland gegaan. Dit was ongeveer 10 maanden na hun huwelijk.
4.15.
Artikel 4 HHV Pro geeft de hoofdregel weer als er geen rechtskeuze is gemaakt. Het huwelijksvermogensrecht van het land waar partijen hun eerste gewone verblijfplaats hebben, is dan van toepassing. Het gaat hierbij om de eerste
gemeenschappelijkegewone verblijfplaats. Het begrip “eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk” is een feitelijk begrip. Van belang is niet alleen waar iemand feitelijk verblijft, maar ook hoe duurzaam dat verblijf is en daarnaast met welke intentie hij daar verblijft. Deze eerste gewone verblijfplaats dient binnen een redelijk korte termijn na de huwelijkssluiting te worden gevestigd. Bij de toepassing van de verdragsregel is het echter niet noodzakelijk dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats direct bij de huwelijkssluiting vestigen. Uit vaste rechtspraak volgt dat doorgaans een limiet van zes maanden wordt gesteld, met een voorbehoud voor uitzonderlijke situaties. Nu er bij partijen een periode van meer dan zes maanden zit tussen de huwelijksvoltrekking en de vestiging van de vrouw in Nederland, hebben partijen naar het oordeel van de rechtbank geen
gemeenschappelijkeeerste gewone verblijfplaats na het huwelijk. Dit maakt dat op grond van artikel 4 lid 3 HHV Pro Turks huwelijksvermogensrecht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime omdat dit de gemeenschappelijke nationaliteit was van partijen ten tijde van het huwelijk.
Ten overvloede overweegt de rechtbank hierbij dat zelfs als de rechtbank van oordeel zou zijn dat Nederland als eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na het huwelijk kan worden gezien omdat partijen wel de intentie hadden om zich samen in Nederland te vestigen maar dit enige tijd geduurd heeft in afwachting van de verblijfsvergunning van de vrouw, er alsnog Turks huwelijksvermogensrecht van toepassing is op grond van artikel 4 lid 2 onderdeel Pro a HHV. Turkije is immers geen verdragspartij bij het HHV en een nationaliteitsland en Nederland heeft de verklaring van artikel 5 HHV Pro afgelegd.
4.16.
Nadien heeft zich echter de situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 lid 2 sub Pro 2 HHV. Uit de gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat de man zich op 18 september 1991 in Nederland heeft gevestigd en de vrouw op 21 oktober 1996. Conform artikel 7 lid 2 sub Pro 2 van het Verdrag is vanaf het moment dat partijen tien jaar samen in Nederland hebben gewoond, Nederlands recht van toepassing geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit betekent dat in de periode van [datum] 1995 (de datum van de huwelijkssluiting) tot 21 oktober 2006 (de dag dat partijen 10 jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden) Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf 21 oktober 2006 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit wordt het zogenaamde ‘wagonstelsel’ genoemd. Het Nederlands recht beheerst alleen de goederen die de echtgenoten ná de wijziging, dus na 21 oktober 2006 tot de datum van ontbinding van de gemeenschap hebben verkregen. De eerder verkregen goederen blijven vallen onder het recht waaronder zij zijn verkregen, het Turks recht.
Inhoudelijke beoordeling
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat alle bestanddelen van de gemeenschap, op na te noemen woning in [woonplaats 1] na, in de gemeenschap zijn gevallen ná 21 oktober 2006 en dat deze daarom onder het Nederlands huwelijksvermogensrecht vallen.
Nederlands recht
4.18.
Het Nederlands recht kende op 21 oktober 2006 als wettelijk stelsel (de toen geldende) algehele gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap omvat alle goederen en schulden artikel 1:94 lid 2 en Pro 5 BW (oud). Hiervan zijn uitgezonderd goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn. Deze vallen op grond van lid 3 (oud) van dit artikel slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
4.19.
De gemeenschap komt ten einde door indiening van het verzoek tot echtscheiding (artikel 1:99 lid1 sub b BW). Tussen partijen is ook niet in geschil dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt 6 maart 2025.
4.20.
Op grond van artikel 1:100 lid 1 BW Pro (oud) hebben echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap. Echtgenoten kunnen overeenkomen om bij de verdeling af te wijken van de verdeling bij helfte. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze op grond van lid 2 van dit artikel gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit.
4.21.
Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt - voor zover partijen niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen - de datum van verdeling.
Vermogensbestanddelen
a. De woning gelegen te [woonplaats 1]
4.22.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de woning gelegen te [woonplaats 1] aan [adres 1] wordt getaxeerd en verkocht, waarbij de overwaarde bij helfte wordt verdeeld. Ze heeft tevens verzocht haar te machtigen om namens beide partijen alle noodzakelijke handelingen te verrichten voor de verkoop, inclusief het inschakelen van een makelaar, het ondertekenen van de koopovereenkomst en de afwikkeling bij de notaris. De man heeft laten weten dat hij kan instemmen met dit verzoek.
4.23.
Uit de stukken en wat er is besproken op zitting blijkt dat de woning in [woonplaats 1] inmiddels is verkocht en op 31 oktober 2025 is geleverd aan de nieuwe eigenaren. Met de verkoopopbrengst van deze woning zijn de op de woning rustende hypotheek bij Lloyds Bank GmbH en de overbruggingslening bij ABN AMRO Bank NV volledig afgelost. Tevens was er beslag gelegd op de woning door Gerechtsdeurwaarders [deurwaarde] in verband met een schuld aan de VVE van de woning in [woonplaats 2] . Deze schuld is eveneens afgelost. Na aftrek van alle (overige) kosten resteerde een bedrag van € 31.991,87. De man heeft tijdens de zitting onweersproken gesteld dat dit bedrag inmiddels tussen partijen bij helfte is verdeeld zodat de rechtbank ervan uitgaat dat er niets meer te verdelen valt. Dit maakt dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw met betrekking tot deze woning zal afwijzen.
b. De woning gelegen te [woonplaats 2]
4.24.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de woning gelegen te [woonplaats 2] aan [adres 2] wordt getaxeerd en verkocht, waarbij de overwaarde bij helfte wordt verdeeld. Ze heeft tevens verzocht haar te machtigen om namens beide partijen alle noodzakelijke handelingen te verrichten voor de verkoop, inclusief het inschakelen van een makelaar, het ondertekenen van de koopovereenkomst en de afwikkeling bij de notaris. De man heeft laten weten dat hij kan instemmen met dit verzoek.
4.25.
Tijdens de zitting bleek dat partijen het erover eens zijn dat deze woning op korte termijn te koop gezet zal worden bij [makelaar] in [woonplaats 2] voor een bedrag van € 319.000,=. Ze zijn het er tevens over eens dat met de verkoopopbrengst van deze woning de op deze woning rustende hypotheek bij ABN AMRO Bank NV afgelost zal moeten worden en dat wat er, na aftrek van alle kosten, overblijft door partijen gedeeld zal worden bij helfte.
4.26.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de (wijze van) verdeling van dit vermogensbestanddeel is er op grond van artikel 3:185 BW Pro geen taak meer weggelegd voor de rechter. De rechtbank zal hierover dan ook geen beslissing opnemen in het dictum. Vanzelfsprekend geldt dat partijen onderling gehouden zijn de gemaakte afspraken na te komen.
c. Inboedel van de woningen gelegen te [woonplaats 1] en [woonplaats 2]
4.27.
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel van de woning te [woonplaats 2] aan de man en de inboedel van de woning te [woonplaats 1] aan de vrouw wordt toegedeeld zonder verdere verrekening.
4.28.
Zoals hiervoor onder r.o. 4.26 overwogen is er, als partijen overeenstemming hebben bereikt, op grond van artikel 3:185 BW Pro geen taak meer weggelegd voor de rechter. De rechtbank zal dan ook geen beslissing opnemen in het dictum over dit vermogensbestanddeel. Vanzelfsprekend geldt ook hier dat partijen onderling gehouden zijn de gemaakte afspraken na te komen.
d. De woning gelegen te [plaats 2] , Turkije
4.29.
Tijdens de zitting zijn partijen een spoorboekje overeengekomen ten aanzien van de gemeenschappelijk woning te [plaats 2] , Turkije, aan [adres 3] . Nadien hebben partijen de rechtbank bericht dat zij alsnog overeenstemming hebben bereikt over deze woning. Ze hebben afgesproken dat de vrouw, tegen betaling van een bedrag van
€ 25.000,= aan de man, de woning in Turkije zal overnemen. Partijen wensen dat dit als bindende afspraak in de beschikking wordt vastgelegd. De betaling van het bedrag van
€ 25.000,= zal worden voldaan uit de overwaarde van de woning in [woonplaats 2] , zodra die overwaarde beschikbaar komt.
4.30.
Zoals hiervoor onder r.o. 4.26 overwogen is er, als partijen overeenstemming hebben bereikt, op grond van artikel 3:185 BW Pro geen taak meer weggelegd voor de rechter. De rechtbank zal dan ook geen beslissing opnemen in het dictum over dit vermogensbestanddeel. Vanzelfsprekend geldt ook hier dat partijen onderling gehouden zijn de gemaakte afspraken na te komen.
e. Schuld aan VVE
4.31.
Zoals hiervoor onder r.o. 4.23 is overwogen is deze schuld inmiddels afgelost. Om die reden heeft de man zijn verzoek met betrekking tot deze schuld tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet meer onderzoeken en zal dit verzoek daarom afwijzen.
f. Schulden aan de gemeente Rotterdam, schuld CJIB en ICS
4.32.
De man verzoekt te bepalen dat de schulden aan de gemeente Rotterdam ter hoogte van respectievelijk € 1.488,15 en € 8.088,64, de schuld aan het CJIB ter hoogte van
€ 43.239,32 en de schuld aan ICS ter hoogte van € 2.179,12 bij helfte tussen partijen worden verdeeld
.De man betwist dat de vrouw niet op de hoogte was van zijn gedragingen of de strafbare feiten waaruit deze schulden zijn voortgekomen. Bovendien heeft zij er ook van de gelden geprofiteerd dus deze schulden zijn volgens de man niet bijzonder verknocht aan hem en vallen daarom in de te af te wikkelen gemeenschap.
4.33.
De vrouw voert verweer tegen dit verzoek van de man. Zij is van mening dat deze schulden niet in de gemeenschap vallen omdat deze bijzonder verknocht zijn aan de man en voert daartoe het volgende aan. De schulden aan de gemeente Rotterdam zijn bestuursrechtelijke boetes die bijzonder verknocht zijn aan de man, omdat deze betrekking hebben op gedragingen van de man waar zij geen invloed op heeft gehad en er geen bewijs is dat deze ten behoeve van de gemeenschap zijn opgelegd. Verder is de schuld aan het CJIB bijzonder verknocht aan de man, omdat deze betrekking heeft op een strafrechtelijke veroordeling. Strafrechtelijke sancties behoren volgens wet en jurisprudentie niet tot de gemeenschap omdat deze op de dader zijn gericht. De vrouw heeft nooit enige wetenschap gehad van de activiteiten van de man en nooit enig voordeel genoten van de opbrengsten daarvan. Tenslotte is ook de schuld aan ICS volgens de vrouw bijzonder verknocht aan de man omdat de vrouw geen gebruik heeft gemaakt van de creditcard en zij hier bovendien geen enkel inzicht in of controle op had. Ook is er geen bewijs dat de uitgaven zijn gedaan voor gezamenlijke huishoudelijke doeleinden.
4.34.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man als een verzoek om te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de helft van deze schulden. Schulden kunnen immers niet verdeeld worden.
4.35.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:94 lid 3 BW Pro (zoals geldend op de datum van ontbinding van de gemeenschap) vallen schulden die aan één van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Het antwoord op de vraag of een schuld wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan aan één van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat de schuld in de gemeenschap valt, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. De beantwoording hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Daarbij bestaat geen grond te bezien of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de echtgenoten beheerst in een andere richting wijzen. De redelijkheid en billijkheid zijn al verdisconteerd in de maatstaf van de maatschappelijke opvattingen. (ECLI:NL:HR:2008:BF2295).
4.36.
De rechtbank stelt voorop dat de lat voor verknochtheid hoog ligt. Dat een schuld wegens verknochtheid niet tot een algehele huwelijksgemeenschap behoort, wordt – afgezien van het geval van een schuld die onmiddellijk verbonden is met een buiten de gemeenschap vallend goed – maar zelden aangenomen. Ook een gemeenschapsschuld, die is ontstaan door onrechtmatig handelen van één van de echtgenoten, kan enkel onder bijzondere omstandigheden als verknochte schuld worden aangemerkt.
4.37.
De rechtbank volgt de vrouw dan ook niet in haar standpunt dat de schulden aan de gemeente Rotterdam en ICS buiten de gemeenschap vallen omdat deze bijzonder verknocht zijn aan de man. Op grond van artikel 1:94 lid 5 BW Pro (oud) omvat de gemeenschap
alleschulden. Daarvoor hoeft een schuld niet ten behoeve van de gemeenschap te worden opgelegd of door beide partijen te zijn aangegaan. Bovendien heeft de vrouw geen bijzondere omstandigheden gesteld waarom deze schulden als bijzonder verknocht zou moeten worden aangemerkt. Dat deze schulden, zoals gesteld door de vrouw, het gevolg zijn van handelen van de man en de vrouw daar geen enkel inzicht in of controle op heeft gehad, maakt dat niet anders.
4.38.
Ook voor wat de schuld bij het CJIB betreft is de rechtbank van oordeel dat deze niet bijzonder verknocht is aan de man. De vrouw stelt dat op schulden als gevolg van strafrechtelijke sancties volgens de wet en jurisprudentie niet tot de gemeenschap behoren. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat een schuld in verband met strafbare gedragingen niet alleen om die reden naar zijn aard zo verknocht is aan de man dat deze naar maatschappelijke opvattingen buiten de huwelijksgemeenschap moet blijven. Ook is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die dit anders maken. De vrouw heeft weliswaar aangevoerd dat ze geen weet had van deze gedragingen van de man en dat zij niet heeft geprofiteerd van de door strafbare gedragingen van de man door hem verkregen gelden, maar dit is, hoe dan ook, onvoldoende voor het aannemen van verknochtheid van deze schuld.
4.39.
De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schulden.
g. Schuld aan ABN Amro;
4.40.
De man heeft zijn verzoek om te bepalen dat partijen ieder de helft van de openstaande schuld bij ABN AMRO te hoogte van € 4.889,78 dienen te voldoen tijdens de zitting ingetrokken, omdat deze schuld inmiddels is afbetaald. De rechtbank kan dit verzoek dan ook niet meer onderzoeken en zal dit verzoek daarom afwijzen.
h. Schulden aan familie
4.41.
De man verzoekt te bepalen dat de schulden aan vier familieleden, te weten [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] , ter hoogte van in totaal € 13.000,= bij helfte worden verdeeld tussen partijen
.Hij heeft dit geld geleend voor zijn levensonderhoud na zijn detentie. De man betwist de stelling van de vrouw dat de schulden niet bestaan en stelt dat de vrouw erbij was toen hij het geld van deze familieleden kreeg. De door hem als productie 5 overgelegde verklaringen van zijn familieleden is de enige manier om deze schulden te onderbouwen. Meer is er niet.
4.42.
De vrouw voert verweer tegen dit verzoek van de man. Iedere duidelijkheid over de aard en achtergrond van de onderhandse leningen ontbreekt. Het betreft vorderingen van familieleden van de man zonder schriftelijke overeenkomst, renteafspraken, looptijd of aflossingsschema. Ook zijn geen banktransacties overgelegd die het bestaan of de omvang van deze leningen onderbouwen en de door de man overgelegde verklaringen zijn bovendien niet objectief en controleerbaar. De vrouw trekt het bestaan van deze schulden daarom in twijfel en wil er niet aan meebetalen.
4.43.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor reeds overwogen kunnen schulden niet verdeeld worden. De rechtbank begrijpt daarom ook dit verzoek van de man als een verzoek om te bepalen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de helft van deze schulden.
4.44.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man het bestaan van deze schulden, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De man heeft ondertekende verklaringen van zijn schuldeisers overgelegd maar heeft nagelaten een bankafschriften of andere stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat de geleende bedragen daadwerkelijk zijn ontvangen. Hierdoor is het bestaan van deze schulden niet duidelijk geworden. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek van de man zal afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank
in zaaknummer C/02/432707 FA RK 25-1169:
5.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 1995 in [plaats 1] , Turkije met elkaar gehuwd;
in zaaknummer C/02/436414 FA RK 25-2979:
5.2.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en de vrouw in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden aan de gemeente Rotterdam, het CJIB en ICS;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Coolwijk, en, in tegenwoordigheid van mr. Krocké, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.