ECLI:NL:RBZWB:2026:2830

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/443448 / FA RK 25-6717
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige toevertrouwing minderjarigen en vaststelling zorgregeling en kinderalimentatie

Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om voorlopige toevertrouwing van de kinderen bij haar, een zorgregeling en kinderalimentatie. De man verzocht om toevertrouwing van één kind bij hem en een zorgregeling.

De rechtbank oordeelt dat er geen spoedeisend belang is voor voorlopige toevertrouwing, omdat de kinderen sinds augustus 2025 bij de vrouw verblijven en partijen de huidige situatie kunnen handhaven tot de bodemprocedure. Wel wordt een zorgregeling vastgesteld waarbij de man contact heeft met de kinderen in de oneven weken van vrijdag tot zondag en in de even weken op donderdag, in onderling overleg.

De rechtbank stelt de behoefte van de kinderen vast op gemiddeld €1.035 per maand en berekent de draagkracht van de man op €497 per maand. De man wordt veroordeeld tot betaling van €166 per maand per kind vanaf 23 december 2025, met indexering vanaf 1 januari 2026. Tevens wordt een (jeugd)hulpverleningstraject ingezet om de communicatie en zorgafspraken tussen partijen te verbeteren.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige toevertrouwing afgewezen, zorgregeling vastgesteld en kinderalimentatie bepaald vanaf 23 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443448 / FA RK 25-6717
20 februari 2026
Beschikking betreffende provisionele voorziening ex art. 223 Rechtsvordering Pro
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A.Ch. Osté,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. L.A.P. van Haperen.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 3 februari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.
1.2. Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt. De hoofdzaak is bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerk C/02/443438 / FA RK 25-6708. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, vaststelling van een zorgregeling en kinderalimentatie ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de zitting van 11 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar samengewoond. De vrouw heeft de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst opgezegd.
2.2.
Uit hun relatie zijn de volgende nu nog minderjarige kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2020.
De man heeft de kinderen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
Er is geen rechterlijke uitspraak van kracht ter zake de kinderalimentatie en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

3.Het verzoek

3.1.
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak:
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn;
- te bepalen dat de man met ingang van 12 augustus 2025 maandelijks als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw € 583,= moet voldoen, ofwel € 299,= per maand per kind, dan wel met ingang van een nader te bepalen datum een nader te bepalen bijdrage;
- te bepalen dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de man van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur eens in de twee weken omgang met de kinderen zal hebben.
3.2.
De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening:
- te bepalen dat de minderjarige [minderjarige 1] voorlopig aan hem wordt toevertrouwd en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw;
- een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen in de oneven weken van vrijdag 17.30 uur tot en met zondag 17.30 uur bij de man verblijven en in de even weken van woensdag 17.30 uur tot en met vrijdag 17.30 uur;
- te bepalen dat de minderjarigen in de meivakantie 2026 de tweede week van de vakantie bij de man doorbrengen, alsmede in de zomervakantie 2026 de eerste drie weken van de zomervakantie aaneengesloten bij de man zullen zijn;
- te bepalen dat de man met ingang van 22 december 2025 maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 166,= per kind per maand, dan wel een nader te bepalen bedrag met ingang van een nader te bepalen datum;
- te bepalen dat de man met ingang van de beschikking maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 70,= per maand, dan wel een nader te bepalen bedrag met ingang van een nader te bepalen datum.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Ingevolge artikel 223 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen onderhavige verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van de minderjarigen, de vaststelling van een zorg- dan wel omgangsregeling en kinderalimentatie samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat partijen kunnen worden ontvangen in hun verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling toevertrouwing minderjarigen
4.3.
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat partijen belang hebben bij duidelijkheid. Omdat partijen niet op een lijn zitten over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, verzoekt de vrouw op dat punt een beslissing te nemen.
4.4.
De man heeft een zelfstandig verzoek gedaan tot toevertrouwing van de minderjarige [minderjarige 1] aan hem, omdat de vrouw toevertrouwing van de minderjarigen aan haar verzoekt. Volgens de man heeft hij geen spoedeisend belang bij de door hem verzochte voorziening, maar ligt zijn belang met name bij de vaststelling van een (uitgebreidere) zorgregeling.
4.5.
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij in het kader van deze procedure niet verzoekt om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen, maar om de minderjarigen voorlopig aan haar toe te vertrouwen.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast moet de rechtbank de belangen van partijen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
4.7.
Uit de overgelegde stukken en de toelichting van partijen tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw de echtelijke woning in augustus 2025 heeft verlaten. Sinds die datum verblijft de vrouw, samen met de minderjarigen, in haar nieuwe woning. In de Basisregistratie Personen staan de kinderen ingeschreven op het adres van de vrouw. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een zodanig spoedeisend belang hebben dat nu in het kader van deze procedure een beslissing over de voorlopige toevertrouwing van de kinderen noodzakelijk is. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen de huidige situatie, waarin de kinderen al vanaf augustus 2025 bij de vrouw wonen, in stand zullen laten totdat in de bodemprocedure een definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal zijn genomen. In het kader van deze procedure zullen de verzoeken van partijen, ter zake de voorlopige toevertrouwing van de minderjarigen, worden afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.
Inhoudelijke beoordeling zorgregeling
4.8.
De vrouw legt aan haar verzoek tot vaststelling van een zorgregeling ten grondslag dat zij ook tijdens de relatie van partijen steeds de zorg voor de kinderen op zich heeft genomen. Volgens de vrouw is het in het belang van de kinderen dat de dagelijkse zorg door haar wordt gecontinueerd. De vrouw vindt het van belang dat de man en de kinderen contact met elkaar hebben, maar de vrouw wenst zich daarbij te richten naar de adviezen van de hulpverlening.
4.9.
Volgens de man is hij ook altijd tijdens de relatie van partijen structureel en inhoudelijk betrokken geweest bij de zorg voor de minderjarigen. Een co-ouderschapsregeling creëert volgens de man ruimte voor individuele aandacht voor de kinderen, voorkomt problematisch aandachtzoekend gedrag van de kinderen en bevordert een stabiel sociaal-emotionele ontwikkeling.
4.10.
Vast staat tussen partijen dat zij na het verbreken van hun relatie in onderling overleg een zorgregeling zijn overeengekomen waarin de kinderen een weekend per 14 dagen bij de man zijn. Tijdens de zitting is verder gebleken dat beide partijen open staan voor een uitbreiding van de huidige zorgregeling. Ook zijn partijen het erover eens gebleken dat ieder van de kinderen, gelet op hun beperkingen, een eigen ondersteuningsbehoefte heeft en dat de kinderen behoefte hebben aan structuur en duidelijkheid. Partijen blijken echter niet in staat te zijn om op een zodanige manier met elkaar te communiceren dat zij in onderling overleg afspraken kunnen maken in het belang van hun kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank is noodzakelijk dat deze onderlinge communicatie tussen partijen gaat verbeteren. Als gevolg van de beperkingen van de kinderen is veel hulpverlening bij het gezin betrokken en nodig is dat partijen met elkaar en de betrokken (zorg)instanties kunnen overleggen.
4.11.
De rechtbank vindt het daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 12 februari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.12.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.13.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het volgende resultaat:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte systeemgerichte interventie).
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht. Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
4.14.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/443438 / FA RK 25-6708. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA-rapportage
uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.15.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen.
4.16.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de raad. De raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.17.
Wanneer de raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop, uit te laten.
4.18.
Wanneer de raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/443438 / FA RK 25-6708 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- In hoeverre komt een wijziging van de zorgregeling door de ouders tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.19.
Deze beschikking is een verzoek aan de raad om dit onderzoek te verrichten, indien het hulpverleningstraject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.20.
Na een onderzoek of interventie van de raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.21.
De ouders zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.22.
Omdat partijen het eens zijn over een uitbreiding van de huidige zorgregeling zal de rechtbank bepalen dat de man in de week waarin de kinderen niet bij hem zijn voorlopig gerechtigd zal zijn tot contact met de kinderen op donderdag, nader in onderling overleg door partijen af te stemmen. Overeenkomstig het verzoek van de man zal de rechtbank bepalen dat de kinderen dus bij hem zijn in de oneven weken van vrijdag 17.30 uur tot en met zondag 17.30 uur en daarnaast in de even weken op donderdag, nader in onderling overleg tussen partijen te regelen. Het meer of anders ter zake de zorgregeling door de man verzochte zal worden afgewezen.
4.23.
De rechtbank ziet geen aanleiding om nu een beslissing te nemen over de verdeling van de zorg tijdens de meivakantie 2026 en de zomervakantie 2026. Het enkele feit dat de man graag ziet dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg worden gedeeld, is geen spoedeisend belang om nu in het kader van deze procedure daarover een beslissing te nemen.
Inhoudelijke beoordeling kinderalimentatie
4.24.
De vrouw stelt dat zij spoedig behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage. Nu zij inmiddels is verhuisd met de kinderen lukt het de vrouw met haar beperkte inkomen niet om de kinderen alleen te onderhouden.
4.25.
De man betwist over voldoende draagkracht te beschikken om de door de vrouw verzochte bijdrage te kunnen voldoen.
4.26.
Tussen partijen is niet in geschil dat de minderjarigen behoefte hebben aan een door de man te betalen bijdrage. Daarnaast staat tussen partijen vast dat de man geen bijdrage aan de vrouw heeft voldaan vanaf het moment waarop zij met de kinderen de woning heeft verlaten (augustus 2025). Naar het oordeel van de rechtbank kan van de vrouw niet verwacht worden dat zij ter zake de kinderalimentatie de bodemprocedure afwacht en heeft zij voldoende spoedeisend belang bij het vaststellen van een bijdrage.
4.27.
De rechtbank ziet aanleiding om de man te volgen in zijn standpunt dat de bijdrage kan worden vastgesteld met ingang van de datum van het verzoekschrift. Het enkele feit dat de vrouw tot nu toe de nodige kosten heeft moeten maken, is onvoldoende om de bijdrage, conform het verzoek van de vrouw, te laten ingaan op 12 augustus 2025. De hierna becijferde bijdrage zal dan ook ingaan op 23 december 2025.
4.28.
Tijdens de zitting is niet langer tussen partijen in geschil gebleken dat de behoefte van de kinderen in 2025, in het kader van deze procedure, kan worden vastgesteld op het gemiddelde van de door ieder van partijen berekende behoefte. Uitgaande van het door de vrouw berekende bedrag van € 1.114,= per maand en het door de man berekende bedrag van € 956,= per maand, stelt de rechtbank de behoefte van de kinderen in deze procedure vast op het gemiddelde van deze beide bedragen, te weten een bedrag van € 1.035,= per maand in 2025.
4.29.
Vast staat dat de vrouw op het moment van de zitting feitelijk geen inkomen heeft en afhankelijk is van een uitkering op grond van de Participatiewet. Niet in geschil is tussen partijen dat dit betekent dat de vrouw in het kader van deze procedure geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
4.30.
Tussen partijen staat vast dat voor de berekening van het huidige netto besteedbaar inkomen van de man (NBI) kan worden uitgegaan van het loon volgens de jaaropgaaf 2025, zijnde een loon van € 44.712,=. Niet in geschil is tussen partijen dat daarnaast rekening moet worden gehouden met de winst uit de onderneming van de man. Partijen twisten over de hoogte van de winst die in aanmerking moet worden genomen.
4.31.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat het NBI van de man moet worden berekend op basis van een totaal belastbaar loon van € 62.265,=. Uit de door de man (als productie 9) overgelegde kolommenbalans blijkt een winst van € 8.717,= in 2025. Daarnaast heeft de man (als productie 10) de aangifte inkomstenbelasting 2024 overgelegd, waaruit een winst uit onderneming blijkt van € 24.777,= en loon uit arbeid van € 27.876,=. Nu de totale inkomsten van de man in 2025 nagenoeg gelijk zijn aan de inkomsten in 2024, ziet de rechtbank aanleiding om de man te volgen en uit te gaan van een winst in 2025 van € 8.717,=.
4.32.
Naast de hiervoor genoemde gegevens houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast staat tussen partijen vast dat rekening moet worden gehouden met een premie lijfrente van € 1.392,= per jaar. Ook houdt de rechtbank rekening met het door de man in zijn berekening gehanteerde – en door de vrouw onweersproken gelaten – bedrag van € 287,= per jaar ter zake op aanslag betaalde inkomensafhankelijke ZVW bijdrage. Zoals hiervoor is overwogen staan de kinderen ingeschreven op het adres van de vrouw, zodat bij de man geen rekening wordt gehouden met kindgebonden budget. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man in 2025 op een bedrag ter hoogte van € 3.401,= per maand.
4.33.
Niet in geschil is tussen partijen dat bij de berekening van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met een totaalbedrag van € 361,= per maand als aflossing op een persoonlijke lening van partijen bij Freo en aflossing op een schuld aan NEF Energiebespaarplan. De draagkracht van de man is dan volgens de formule in 2025 € 497,= per maand.
4.34.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting. Op basis van de hiervoor vastgestelde zorgregeling en rekening houdend met de zorg tijdens een deel van de vakanties, stelt de rechtbank de zorgkorting op 25%. Omdat de behoefte van de kinderen € 1.035,= per maand is, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 259,= per maand.
4.35.
Het tekort aan draagkracht is (€ 1.035,= - € 497,=) € 538,= per maand, welk tekort gelijk over partijen moet worden gedeeld. Op de zorgkorting van de man kan dus maximaal € 269,= per maand in mindering worden gebracht. Omdat dit zou leiden tot een negatief bedrag moet de man tot zijn volledige draagkracht van € 497,= per maand, ofwel € 166,= per maand per kind, bijdragen in de kosten van de kinderen.
4.36.
Zoals hiervoor is overwogen zal deze door de man te betalen bijdrage van € 166,= per maand per kind ingaan op 23 december 2025. Rekening houdend met de wettelijke indexering moet de man dan vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 173,64 per maand per kind aan de vrouw voldoen.
4.37.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van het NBI van de man en de verdeling van de kosten van de kinderen. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de man en de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2013;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016;
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2020;
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag 17.30 uur tot en met zondag 17.30 uur en in de even weken op donderdag, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
5.2.
bepaalt, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen:
- over de periode van 23 december 2025 tot 1 januari 2026 wordt vastgesteld op € 166,= (eenhonderd en zesenzestig euro) per maand per kind;
- en met ingang van 1 januari 2026 wordt vastgesteld € 173,64 (eenhonderd en drieënzeventig euro en vierenzestig eurocent) per maand per kind;
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.5.
verzoekt het loket om uiterlijk
25 augustus 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de
bodemprocedurebekend onder zaak-/rekestnummer C/02/443438 / FA RK 25-6708 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
5.6.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de raad;
5.7.
verzoekt de raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of aanleiding wordt gezien een onderzoek of interventie te starten;
5.8.
verzoekt de raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/443438 / FA RK 25-6708 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.18 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.9.
verzoekt de raad het rapport en advies binnen vier maanden nadat de raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
5.10.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.