ECLI:NL:RBZWB:2026:279

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
02-112598-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van vuurwapens en drugs met procesafspraken

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 21 januari 2026 uitspraak gedaan tegen een verdachte die op 11 april 2025 in Hilvarenbeek meerdere vuurwapens en drugs voorhanden had. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van een machinepistool, een hagelgeweer, twee pistolen, en diverse soorten munitie. Daarnaast was de verdachte in het bezit van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, amfetamine, MDMA, hasjiesj en hennep. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van het voorhanden hebben van ketamine, omdat dit niet als geneesmiddel maar als werkzame stof moet worden aangemerkt. De uitspraak volgde op procesafspraken die door de officier van justitie en de verdediging waren gemaakt, waarbij de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden is opgelegd met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de gemaakte procesafspraken gevolgd, wat leidde tot een efficiënte afhandeling van de zaak zonder hoger beroep. De rechtbank heeft benadrukt dat zij niet gebonden is aan de procesafspraken, maar deze wel in haar overwegingen heeft meegenomen. De beslissing is gebaseerd op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-112598-25
vonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
waarnemend raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 11 april 2025:
feit 1: samen met anderen een machinepistool inclusief drie patroonmagazijnen, een hagelgeweer, twee pistolen inclusief twee patroonmagazijnen, een signaalpistool, 22 kogelpatronen en 56 hagelpatronen voorhanden heeft gehad;
feit 2: samen met anderen 210 gram cocaïne, 345 gram amfetamine en 62 gram en 1580 pillen MDMA opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 3: samen met anderen 1034 gram hasjiesj en 825 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 4: al dan niet opzettelijk 429 gram ketamine in voorraad heeft gehad waarvoor geen handelsvergunning gold.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De procesafspraken

4.1
De aard van de zaak
Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst die door verdachte en zijn raadsman op 19 december 2025 is ondertekend en door de officier van justitie op 31 december 2025. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak. Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel het volgende in:
De verdediging:
  • Verdachte doet schriftelijk afstand van alle onder hem in beslag genomen goederen, conform de bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;
  • Verdachte zal geen nadere onderzoekswensen indienen of (inhoudelijke) verweren voeren;
  • De verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudings- en/of schorsingsverzoeken indienen;
  • Verdachte en zijn raadsman zullen op de zitting tijdens de (verkorte) inhoudelijke behandeling aanwezig zijn;
  • Verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en zal geen appel instellen als het vonnis van de rechtbank overeenkomt met de procesafspraken die zijn gemaakt door de verdediging en het Openbaar Ministerie;
  • Verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging zal leiden tot een veroordeling van één of meer strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;
  • Verdachte en zijn raadsman zullen in het kader van de inhoudelijke behandeling het bovenstaande herhalen.
Het Openbaar Ministerie:
 Het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:
- Bewezenverklaring van alle vier de aan verdachte ten laste gelegde feiten (conform de inhoud van bijlage A);
- Een strafoplegging als hieronder weergegeven:
Een gevangenisstraf van 24 maanden onvoorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Verder zal er door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep worden ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
Desgevraagd hebben beide partijen met betrekking tot de in de procesafspraken opgenomen bewezenverklaring medegedeeld dat feit 2 derde gedachtestreepje aldus moet worden gelezen dat verdachte 62 gram èn 1580 pillen MDMA aanwezig heeft gehad en dat de plaats Hilvarenbeek onder feit 3 ten onrechte is doorgestreept. Daarnaast hebben zij verklaard dat de procesafspraken, waaronder de afstand van het recht om hoger beroep in te stellen, ook gelden als de rechtbank het tenlastegelegde onder feit 4 niet bewezen oordeelt. De procesafspraken blijven dan ook in stand wanneer de rechtbank de voornoemde punten in haar vonnis aanpast en de rechtbank verdachte zou vrijspreken van feit 4.
4.2
Het toetsingskader en de toetsing in deze zaak
Bij de beoordeling van deze zaak door de rechtbank zijn de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, leidend geweest.
Voor die beoordeling heeft de rechtbank de strafzaak inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 januari 2026. Na de voordracht van de zaak door de officier van justitie heeft de rechtbank verdachte op de voet van artikel 286 Sv kort ondervraagd over de aan hem ten laste gelegde feiten alsook zijn persoonlijke omstandigheden.
Ook heeft de rechtbank verdachte bevraagd over de totstandkoming van het afdoeningsvoorstel. Verdachte heeft hierop verklaard goed te hebben begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij heeft aangegeven volledig achter die afspraken te staan en dat hij deze overeenkomst op eigen initiatief en vrijwillig is aangegaan. De reden voor hem om procesafspraken te maken is dat hij duidelijkheid over de afdoening van zijn strafzaak wil zodat hij deze kan afsluiten. Duidelijk is geworden dat verdachte bij het hele proces om tot afspraken met het Openbaar Ministerie te komen, steeds is bijgestaan door zijn raadsman.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van de verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt. Dit brengt mee dat de rechtbank acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.
De voorzitter heeft benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de gemaakte proces- afspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoorde-lijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest.
In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit de artikelen 348 en 350 Sv beantwoorden.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht overeenkomstig de procesafspraken de ten laste gelegde feiten met uitzondering van feit 4 wettig en overtuigend bewezen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor wat betreft de bewezenverklaring eveneens verzocht de gemaakte procesafspraken te volgen, met dien verstande dat voor feit 4 aan het oordeel van de rechtbank wordt gerefereerd. Wanneer de rechtbank de procesafspraken, uitgezonderd feit 4 niet volgt, wordt verzocht om de behandeling voor onbepaalde tijd aan te houden en de zaak op een volgende zitting door een nieuwe zittingscombinatie te laten beoordelen.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
5.3.1
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Feit 1 t/m 3
De rechtbank is op grond van het dossier voor feit 1 t/m 3 met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen zoals hierna weergegeven. Zij grondt haar overtuiging hiervoor op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
Feit 4
Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank dat uit het dossier is gebleken dat de aangetroffen ketamine als een werkzame stof in de zin van artikel 38 Geneesmiddelenwet en niet als een geneesmiddel in de zin van artikel 40 Geneesmiddelenwet moet worden aangemerkt. Hierdoor kan er geen bewezenverklaring van dit feit volgen en wordt verdachte hiervan vrijgesproken.
5.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 11 april 2025 te Hilvarenbeek, een wapen van categorie II, te weten
- een machinepistool (met 3 patroonmagazijnen) van het merk Enfield, type STEN MK2, kaliber 9x19mm en
- een hagelgeweer, merk EN Browning, type Auto5, kaliber 12 gauge en
wapens van categorie III, te weten
- een pistool (met 1 patroonmagazijn) , merk gelijkend op een Hvrvatski Samokres, type SF19, kaliber 9 x 19 mm en
- een pistool (met 1 patroonmagazijn), merk Makarov, type PM, kaliber 9x18 mm synoniem voor 9 mm Makarov en
- een signaalpistool, merk NICO, type lichtkogel en
munitie van categorie III, te weten
- 14 kogelpatronen, merk S&B, kaliber 9 x 19 mm en
- 8 kogelpatronen, merk Geco en S&Bm , kaliber 9.17 mm (synoniem 9 mm kort en .380 auto) en
- 1 hagelpatroon, merk Gamebore, kaliber 12 en
- 5 hagelpatronen, merk Gamebore, kaliber 12 en
- 25 hagelpatronen, merk Gyttorp, kaliber 12 en
- 25 hagelpatronen, merk Gyttorp, kaliber 12
voorhanden heeft gehad.
2
op 11 april 2025 te Hilvarenbeek opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer (totaal) 210 gram cocaïne en
- ongeveer (totaal) 345 gram amfetamine en
- ongeveer (totaal) 62 gram en 1580 pillen MDMA,
zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3
op 11 april 2025 te Hilvarenbeek opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (totaal) 1034 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere
substanties waren toegevoegd en ongeveer (totaal) 825 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert conform de gemaakte procesafspraken een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft eveneens verzocht om de gemaakte procesafspraken te volgen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is de rechtbank evenals de officier van justitie van oordeel dat in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden zou zijn. Naar aanleiding van de gemaakte procesafspraken komt de rechtbank echter tot een andere afweging. Een matiging van de straf is naar aanleiding van die procesafspraken namelijk gerechtvaardigd omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot tijdswinst leidt. Weliswaar is deze strafzaak op zichzelf niet complex van aard, maar de behandeling van de strafzaak ter zitting is efficiënt verlopen als gevolg van de procesafspraken en een hoger beroep wordt voorkomen. Dit levert de nodige tijdswinst op en bespaart zittingsruimte. Ook zorgt deze procedure ervoor dat de opgelegde straf onmiddellijk kan worden geëxecuteerd nu verdachte de afspraak om ter zitting aanwezig te zijn en het nalaten van het doen van een hernieuwd schorsingsverzoek is nagekomen. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
Daarnaast past de overeengekomen gevangenisstraf van 24 maanden bij de matigingen die in het kader van procesafspraken gebruikelijk zijn en wordt ook door de rechtbank in deze zaak gezien als een passende matiging.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat – conform de procesafspraken – de door de officier van justitie gevorderde straf in redelijke verhouding tot de ernst van het feit staat en daarmee een passende straf is. De rechtbank zal dan ook aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8.Het beslag

Nu verdachte afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen goederen is hierover geen beslissing van de rechtbank meer vereist.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het onder 4 tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II meermalen gepleegd en met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
feit 2:Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3:Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 24 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, mr. D. van Kralingen en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. de Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 januari 2026.
Mr. Louwerse en mr. Mullers zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Hilvarenbeek, tezamen in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II, te weten
-een machinepistool (met 3 patroonmagazijnen) van het merk Enfield, type STEN MK2, kaliber 9x19mm en/of
- een hagelgeweer, merk EN Browning, type Auto5, kaliber 12 gauge en/of
een of meer wapens van categorie III, te weten
- een pistool (met 1 patroonmagazijn) , merk gelijkend op een Hvrvatski Samokres, type SF19, kaliber 9 x 19 mm en/of
- een pistool (met 1 patroonmagazijn), merk Makarov, type PM, kaliber 9x18 mm synoniem voor 9 mm Makarov en/of
- een signaalpistool, merk NICO, type lichtkogel en/of
munitie van categorie III, te weten
- 14 kogelpatronen, merk S&B, kaliber 9 x 19 mm en/of
- 8 kogelpatronen, merk Geco en S&Bm , kaliber 9.17 mm (synoniem 9 mm kort en .380 auto) en/of
- 1 hagelpatroon, merk Gamebore, kaliber 12 en/of
- 5 hagelpatronen, merk Gamebore, kaliber 12 en/of
- 25 hagelpatronen, merk Gyttorp, kaliber 12 en/of
- 25 hagelpatronen, merk Gyttorp, kaliber 12
voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
2
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Hilvarenbeek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer (totaal) 210 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer (totaal) 345 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
- ongeveer (totaal) 62 gramm en/of 1580 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 1 1 april 2025 te Hilvarenbeek tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (totaal) 1034 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere
substanties waren toegevoegd en/of ongeveer (totaal) 825 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 11, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )
4
hij op of omstreeks 11 april 2025 te Hilvarenbeek al dan niet opzettelijk een of meer geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten 429 gram ketamine in voorraad heeft gehad;
( art 40 lid 2 Geneesmiddelenwet )