Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2758

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
C/02/431465/HA ZA 25-65 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Vlieger
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 42 FwArt. 150 RvArt. 6:140 lid 1 BWArt. 6:38 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen curator inzake betaling binnen concern wegens rechtsgrond en verplichte rechtshandeling

De curator van het failliete Construction vorderde terugbetaling van een betaling van €117.374,00 aan Thetis, stellende dat deze onverschuldigd was of vernietigbaar op grond van faillissementspauliana (art. 42 Fw Pro). Thetis betwistte dit en verwees naar een bestaande rekening-courantvordering als rechtsgrond.

De rechtbank oordeelde dat de curator onvoldoende had gesteld en bewezen dat de vordering op 1 augustus 2019 niet meer bestond, terwijl Thetis haar stellingen onderbouwde met administratieve gegevens en jaarrekening 2017. De curator kon niet aantonen dat de rekening-courantschuld was tenietgegaan.

Verder stelde de rechtbank vast dat de betaling een verplichte rechtshandeling betrof, omdat de rekening-courantvordering opeisbaar was zonder dat verzuim vereist was. De curator kon geen uitzondering op deze hoofdregel aantonen, ook niet in het kader van concernverhoudingen.

Het beroep op faillissementspauliana faalde omdat de betaling niet onverplicht was. De curator kon ook zijn stellingen over een agiostorting en vermeende onrechtmatigheden niet voldoende onderbouwen. De rechtbank wees daarom alle vorderingen af en veroordeelde de curator in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/431465 / HA ZA 25-65
Vonnis van 8 april 2026
in de zaak van
MR. [curator] IN ZIJN HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN THINK BUILDING & CONSTRUCTION B.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator en Construction,
advocaat: mr. D.P.W.H. Cremers,
tegen
THETIS REAL ESTATE B.V.,
te Fijnaart,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Thetis,
advocaat: mr. M. Littooij.

1.De zaak in het kort

1.1.
Construction heeft op 1 augustus 2019 een betaling gedaan aan Thetis. Construction is op 4 augustus 2020 failliet verklaard met de benoeming van de curator tot curator. De curator vordert in deze procedure terugbetaling van het betaalde bedrag op grond van onverschuldigde betaling of de faillissementspauliana van artikel 42 van Pro de Faillissementswet (Fw). Thetis voert verweer. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op onverschuldigde betaling of de faillissementspauliana wordt volgens haar niet voldaan.
1.2.
De rechtbank wijst de vorderingen van de curator af. Hierna wordt onder het kopje ‘de beoordeling’ uitgelegd waarom. Eerst schetst de rechtbank het verloop van de procedure, de feiten en het geschil. Tot slot volgt de beslissing.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het tussenvonnis van 18 juni 2025 en de daarin opgenomen processtukken,
 de akte overlegging producties van de curator met daarbij producties 12 tot en met 24,
 de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van de curator en van mr. Littooij, zoals zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen (voor wat betreft de spreekaantekeningen van de curator: uit de zittingsaantekeningen van de griffier blijkt welke passages niet zijn voorgelezen),
 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
2.2.
Vervolgens heeft de rechtbank besloten om in deze zaak vonnis te wijzen.

3.De feiten

3.1.
Construction is op 4 augustus 2020 op eigen verzoek failliet verklaard door de rechtbank Oost-Brabant, met benoeming van de curator tot curator.
3.2.
Construction behoorde tot een groep vennootschappen, waarvan de heer [naam 1] via zijn persoonlijke holding [B.V. 1] (hierna: ‘ [B.V. 1] ’) grootaandeelhouder is. Statutair bestuurder van Construction was de besloten vennootschap [B.V. 2] , op haar beurt vertegenwoordigd door haar bestuurder de heer [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’). Enig aandeelhouder van Construction was de besloten vennootschap Think Holding B.V.
3.3.
De aandelen in Think Holding B.V. worden gehouden door de besloten vennootschap [B.V. 3] (75%) en [B.V. 2] (25%) gezamenlijk. [naam 1] is (indirect) bestuurder van [B.V. 3] is enig aandeelhouder van [B.V. 3] (hierna: ‘ [B.V. 3] ’).
3.4.
Thetis behoort tot dezelfde groep vennootschappen als Construction. Indirect enig aandeelhouder en indirect bestuurder van Thetis is [naam 1] .
3.5.
Construction hield zich bezig met het ontwikkelen en uitvoeren van bouwprojecten. Eén van die projecten betrof het [project] : de realisatie van nieuwbouwwoningen in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer. [B.V. 3] als opdrachtgever en Construction als aannemer hebben een zogenaamde turnkey-aannemingsovereenkomst gesloten voor de realisatie van dit project. In deze overeenkomst is in de considerans opgenomen:
In aanmerking nemende dat:
Opdrachtgever eigenaar is van een aantal kavels te Hoofddorp bestemd voor de realisatie van 22 eengezinswoningen met bijbehorende 22 parkeerplaatsen en 15 meergezinswoningen met 14 parkeerplaatsen maaiveld en 7 parkeerplaatsen inpandig;
Opdrachtgever 18 mei 2017 een Omgevingsvergunning heeft gekregen welke (thans onherroepelijk is) voor de realisatie van deze woningen en appartementen conform de ingediende bescheiden en conform de afspraken met de gemeente Haarlemmermeer;
(…)
e) Aannemer de uitvoering van de hiervoor bedoelde realisatie voor haar rekening zal nemen, waarbij Aannemer alle verplichtingen die direct of indirect met de uitvoering van de bouwwerkzaamheden, zoals opgenomen in de Omgevingsvergunning en de Koopovereenkomst met de gemeente Haarlemmermeer, jegens Opdrachtgever en/of gemeente Haarlemmermeer zal nakomen als waren het haar eigen verplichtingen, geen enkele uitgezonderd. Tot het nakomen van verplichtingen horen zowel alle verplichtingen om te doen als alle verplichtingen om te dulden.”
3.6.
De gemeente Haarlemmermeer heeft bij brief van 19 mei 2017 aan Construction bericht dat een bedrag van € 113.360,39 aan leges geheven zou worden in het kader van [project] . [naam 2] heeft de factuur ter zake de leges op 1 juni 2017 doorgestuurd naar onder andere de heer [naam 3] (CFO van de groep), met het verzoek om betaling te regelen.
3.7.
Thetis heeft op 19 juli 2017 een bedrag van € 113.500,00 overgemaakt naar Construction. Construction heeft hiervan de verschuldigde leges betaald aan de gemeente Haarlemmermeer.
3.8.
De betaling van Thetis aan Construction is verwerkt in de rekening-courantverhouding tussen beide vennootschappen. Uit het overzicht van de rekening-courant uit de administratie van Thetis blijkt dat het saldo van de rekening-courantschuld van Construction op 1 augustus 2019 € 117.374,56 bedroeg.
3.9.
De rekening-courantverhouding tussen Thetis en Construction is niet schriftelijk vastgelegd en partijen hebben over de opeisbaarheid van de rekening-courantschuld geen specifieke afspraken gemaakt.
3.10.
Uit de jaarrekening 2017 van Construction blijkt dat aan de activazijde van de balans per 31 december 2017 een bedrag van € 113.360,00 ter zake vooruitbetaalde legeskosten is geboekt. De rekening-courantschuld aan Thetis beloopt volgens de jaarrekening 2017 een bedrag van € 115.319,00 per 31 december 2017.
3.11.
De jaarrekening 2017 is de laatste vastgestelde jaarrekening van Construction. Over de boekjaren 2018 en 2019 zijn geen jaarrekeningen vastgesteld.
3.12.
Construction heeft op 1 augustus 2019 een bedrag van € 117.374,00 betaald aan Thetis. Deze betaling heeft plaatsgevonden in het kader van een kasronde binnen de groep op die datum. De kasronde was als volgt:
Profundo B.V. leent € 670.000,00 uit aan Think Holding B.V.;
Think Holding B.V. betaalt € 670.000,00 als aflossing van haar openstaande schuld aan Construction;
Construction betaalt Think Building Concepts B.V. € 552.500,00 voor aflossing van haar rekening-courantschuld;
Construction betaalt Thetis € 117.374,00 terug voor de in rekening-courant geboekte legeskosten die Thetis op 19 juli 2017 had betaald (zie 3.7 en 3.8);
Think Building Concepts B.V. betaalt Profundo B.V. € 552.500,00 terug op de lening.
3.13.
De curator heeft de aflossing van Construction aan Thetis van € 117.374,00 op 26 juli 2024 met een beroep op de faillissementspauliana van artikel 42 Fw Pro buitengerechtelijk vernietigd. De curator heeft Thetis gesommeerd om het bedrag binnen 15 dagen na ontvangst van de brief van 26 juli 2024 terug te betalen.
3.14.
Thetis heeft de vordering van de curator betwist en is niet tot terugbetaling overgegaan.

4.Het geschil

4.1.
De curator vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
Primair:
I. Thetis veroordeelt tot betaling aan Construction van een bedrag van € 117.374,00 wegens onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW Pro,
Subsidiair:
II. Voor recht verklaart dat de curator op juiste gronden tot vernietiging is overgegaan ex artikel 42 Fw Pro van de betaling van € 117.374,00 en Thetis veroordeelt tot terugbetaling van dit bedrag aan Construction,
In alle gevallen:
III. Thetis veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 11 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling, te vermeerderen met incassokosten,
IV. Thetis veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Thetis voert verweer. Thetis concludeert tot het ontzeggen dan wel afwijzen van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
4.3.
De rechtbank gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante standpunten die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.

5.De beoordeling

5.1.
De curator heeft bij dagvaarding twee grondslagen aangevoerd voor zijn vorderingen: onverschuldigde betaling op grond van artikel 6:203 BW Pro en de faillissementspauliana van artikel 42 Fw Pro. In zijn pleitaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling heeft de curator daar als meer subsidiaire grondslag de onrechtmatige daad aan toegevoegd. De curator heeft deze meer subsidiaire grondslag voor zijn vorderingen later tijdens de mondelinge behandeling weer ingetrokken. De rechtbank beoordeelt de vorderingen van de curator daarom op basis van de in de dagvaarding aangevoerde grondslagen.
Vordering I (primair): onverschuldigde betaling
5.2.
De curator voert primair aan dat de betaling aan Thetis onverschuldigd is gedaan.
Maatstaf
5.3.
Voor een geslaagd beroep op terugbetaling op grond van artikel 6:203 BW Pro is vereist dat de betaling geen rechtsgrond had. Met andere woorden: er mag op het moment van de betaling geen rechtsverhouding aanwijsbaar zijn die het verrichten van de betaling rechtvaardigt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro geldt dat op de curator de stelplicht (en bij een voldoende gemotiveerde betwisting door Thetis) de bewijslast rusten van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat a) Construction een betaling heeft gedaan, b) zonder dat daarvoor een rechtsgrond is en c) Thetis de ontvanger is van de betaling.
5.4.
De feiten onder a) en c) leveren geen geschil op. Tussen partijen staat vast dat Construction op 1 augustus 2019 een betaling van € 117.374,00 aan Thetis heeft gedaan. Het geschil tussen partijen draait om de vraag of voor die betaling een rechtsgrond aanwezig was.
De standpunten van partijen
5.5.
De curator heeft bij dagvaarding aangevoerd dat hij uit de beschikbare boekhouding en administratie van Construction geen schuld van Construction aan Thetis per 1 augustus 2019 heeft kunnen vaststellen/herleiden. Construction heeft geen geld van Thetis geleend en was ook overigens niets aan Thetis verschuldigd. De betaling van € 117.374,00 van Construction aan Thetis op 1 augustus 2019 staat volledig op zichzelf. Uit de bankadministratie van Construction blijkt dat behalve deze betaling door Construction geen betaling aan Thetis is gedaan of van Thetis is ontvangen, aldus de curator bij dagvaarding.
5.6.
Thetis heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat de schuld in rekening-courant van Construction aan Thetis uit de administratie blijkt. In de eigen administratie van Thetis zijn al in maart 2015 bedragen in rekening-courant geboekt. De grootste betaling is gedaan in juli 2017 en heeft betrekking op de leges die Construction als hoofdaannemer van het [project] aan de gemeente Haarlemmermeer moest betalen (een bedrag van afgerond € 113.500,00). Dit bedrag is voorgeschoten door Thetis en ten laste van Construction verwerkt in de rekening-courantverhouding. Uit de jaarrekening over 2017 blijkt ook van de rekening-courantschuld, die per 31 december 2017 € 115.319,00 bedroeg. Thetis heeft onderbouwd met een overzicht uit de administratie gesteld dat de schuld in rekening-courant per 1 augustus 2019 een bedrag van € 117.374,56 beliep. Nu er een rechtsgrond is voor de betaling, is er geen sprake van onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW Pro.
5.7.
De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling gereageerd op het verweer van Thetis. De curator heeft erkend dat de vordering van € 117.374,00 is geboekt in rekening-courant, maar stelt dat Thetis daarmee niet het bewijs heeft geleverd dat de vordering in rekening-courant op het moment van betaling in augustus 2019 nog bestond. De curator betwist uitdrukkelijk dat Thetis op 1 augustus 2019 een dergelijke vordering op Construction had. Het is zeer wel mogelijk dat de vermeende vordering van Thetis al voor augustus 2019 teniet is gegaan door bijvoorbeeld betaling, verrekening of kwijtschelding.
De curator stelt dat het in dit geval aan Thetis is om te stellen en te bewijzen welke rechtsgrond de betaling rechtvaardigt, nu vaststaat dat er is betaald en de curator gemotiveerd stelt dat er geen rechtsgrond bestond. De curator concludeert dat Thetis onvoldoende heeft gesteld, gemotiveerd en bewezen dat haar vermeende vordering van
€ 117.374,00 op Construction op 1 augustus 2019 nog bestond.
5.8.
Voor het geval de rechtbank aanneemt dat Thetis op 1 augustus 2019 wel een vordering op Construction had, wijst de curator erop dat uit de jaarrekening 2017 blijkt dat Construction ook een vordering had op Thetis wegens vooruitbetaalde leges ter hoogte van € 113.360,00. Deze post is aan de activazijde van de balans opgenomen. Volgens Thetis betreft dit een vordering van Construction op [B.V. 3] , de ontwikkelaar van [project] , en niet op Thetis.
Het oordeel van de rechtbank
5.9.
De rechtbank volgt de curator niet in zijn standpunten over de (verdeling van de) stelplicht en bewijslast. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro rust op de curator de stelplicht en de bewijslast van onder andere het ontbreken van een rechtsgrond voor de betaling. De curator heeft gesteld dat er geen rechtsgrond voor de betaling van Construction aan Thetis bestond op 1 augustus 2019. Thetis heeft dat weersproken, onder verwijzing naar de eigen administratie en de jaarrekening 2017 van Construction. Dit is een betwisting van het door de curator gestelde rechtsfeit dat de betaling onverschuldigd is gedaan. Het beroep op de administratie en de jaarrekening is een onderbouwing van die betwisting. Daarvan draagt Thetis dan niet de bewijslast. De curator heeft nog steeds op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro de bewijslast dat voor de betaling een rechtsgrond ontbreekt.
5.10.
De curator heeft als gezegd erkend dat in 2017 een vordering bestond en er dus een rechtsgrond voor betaling aanwezig was, maar stelt dat dit niet betekent dat die vordering op 1 augustus 2019 ook nog bestond. De vordering kan in de tussentijd door betaling, verrekening of kwijtschelding teniet zijn gegaan volgens de curator. De curator heeft deze stellingen, die Thetis betwist, echter op geen enkele wijze onderbouwd. De curator heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd en geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat en op welke wijze de rekening-courantvordering van Thetis op Construction tussen 2017 en 1 augustus 2019 teniet zou zijn gegaan. Dat lag op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro wel op zijn weg. De curator beschikt ook over de volledige administratie van Construction en heeft naar eigen zeggen de bankafschriften uitgebreid bestudeerd, maar heeft geen enkele eerdere betaling van Construction aan Thetis van een orde van grootte als de rekening-courantschuld gevonden. De curator had de bestuurder van Construction, [naam 2] , kunnen vragen naar een eventuele afspraak met Thetis over verrekening of kwijtschelding. Thetis heeft dit tijdens de mondelinge behandeling ook benoemd, maar de curator heeft dit vervolgens geheel onbesproken gelaten. Kortom, de curator heeft het bij een speculatieve blote stelling gelaten en de bewijslast ten onrechte willen verleggen naar Thetis.
5.11.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door Thetis is de rechtbank is dan ook van oordeel dat de curator onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de betaling zonder rechtsgrond was. Daarop strandt het beroep op onverschuldigde betaling.
5.12.
Het subsidiaire standpunt van de curator (zie 5.8) brengt daar geen verandering in. Dit standpunt gaat er namelijk juist van uit dat Thetis per 1 augustus 2019 een rekening-courantvordering had op Construction en er dus een rechtsgrond voor de betaling bestond. Het eventuele bestaan van een tegenvordering doet daar niet aan af. De curator legt ook niet (althans niet voldoende begrijpelijk) uit wat de juridische consequenties zouden zijn van het bestaan van een tegenvordering voor zijn beroep op onverschuldigde betaling. Daar komt bij dat Thetis ter zitting gemotiveerd heeft toegelicht dat de vooruitbetaalde leges op de activazijde van de balans geen vordering betreft van Construction op Thetis, maar een vordering op [B.V. 3] . [B.V. 3] zou deze kosten als ontwikkelaar van het project dragen. Dit volgt volgens Thetis ook uit de aannemingsovereenkomst. Deze toelichting heeft de curator niet (voldoende) weersproken. Ook om die reden kan het subsidiaire standpunt van de curator niet slagen.
Conclusie vordering I
5.13.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank vordering I van de curator zal afwijzen.
Vordering II (subsidiair): pauliana artikel 42 Fw Pro
5.14.
Subsidiair doet de curator een beroep op artikel 42 Fw Pro, de faillissementspauliana.
5.15.
Op grond van artikel 42 lid 1 jo Pro lid 2 Fw kan een curator een rechtshandeling anders dan om niet die de failliet vóór de faillietverklaring onverplicht heeft verricht, vernietigen, indien zowel de failliet als degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, bij dit verrichten wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers het gevolg zou zijn. Uit dit artikel volgt dus dat voor een geslaagd beroep op faillissementspauliana vereist is dat (1) sprake is van een onverplichte rechtshandeling, (2) waardoor de schuldeisers zijn benadeeld en (3) de schuldenaar en de wederpartij wetenschap hadden van die benadeling. Uitgangspunt is dat het aan de curator is om voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan de vereisten van faillissementspauliana is voldaan.
5.16.
Partijen zijn het over alle eisen van artikel 42 Fw Pro oneens. De rechtbank komt tot het oordeel dat de betaling van Construction aan Thetis geen onverplichte rechtshandeling is. Dat betekent dat de curator geen beroep kan doen op artikel 42 Fw Pro. Aan de beoordeling van de overige vereisten van artikel 42 Fw Pro komt de rechtbank dan ook niet toe. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Geen onverplichte rechtshandeling
5.17.
Bij de beantwoording van de vraag of de betaling in kwestie een onverplichte rechtshandeling was gaat de rechtbank uit van de volgende uitgangspunten. Een rechtshandeling is onverplicht indien er niet een op grond van de wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat om de rechtshandeling te verrichten. Betaling van een niet-opeisbare schuld is steeds onverplicht. Betaling van een wel opeisbare schuld is een verplichte rechtshandeling. Dit geldt ook als de schuldenaar ten tijde van de voldoening niet in verzuim verkeerde. [1] Vast staat dat Construction op 1 augustus 2019 een bedrag van € 117.374,00 aan Thetis verschuldigd was (zie 5.9-5.13). Gelet op het bepaalde in artikel 6:140 lid 1 BW Pro was het saldo van de rekening-courant op ieder tijdstip verschuldigd. Verder staat vast dat Thetis en Construction geen specifieke afspraken hebben gemaakt over de opeisbaarheid van deze rekening-courantvordering. Nu er geen betalingstermijn was afgesproken, geldt als uitgangspunt dat Thetis terstond nakoming kon vorderen en de vordering dus direct opeisbaar was. Dit volgt uit artikel 6:38 BW Pro.
5.18.
Zoals gezegd rust de stelplicht (en eventuele bewijslast) ten aanzien van het onverplichte karakter van de bestreden rechtshandeling op de curator. [2] De primaire stelling van de curator is dat de betaling een onverplichte rechtshandeling was, omdat Construction niet tot betaling is aangemaand en zij dus niet in verzuim is gebracht. Volgens de curator is daardoor geen afdwingbare betalingsplicht ontstaan. Hier gaat de rechtbank aan voorbij. Zoals de rechtbank hierboven heeft toegelicht en Thetis ook terecht heeft aangevoerd, is voor het verplichte karakter van een betaling geen verzuim vereist. Het gaat hier namelijk om de nakoming van een betalingsverbintenis. Om nakoming te vorderen (af te dwingen) is geen verzuim vereist. [3]
5.19.
Verder stelt de curator dat het onverplichte karakter van de betaling uit de rechtspraak blijkt. Daaruit volgt volgens de curator niet een absoluut recht van opeisbaarheid, maar dat zeker bij concernverhoudingen wordt gekeken naar de vraag wat de aard van de rekening-courantrelatie was. Artikel 6:38 BW Pro is een zogenaamde vangnetbepaling voor gevallen waarin partijen niets hebben afgesproken over het tijdstip van betaling. De curator stelt dat de groepsvennootschappen opeisbaarheid van een rekening-courantverhouding niet voor ogen hadden en dat Construction erop heeft mogen vertrouwen dat de rekening-courantverhouding van Thetis niet direct opeisbaar was.
5.20.
De rechtbank begrijpt dit standpunt zo dat de curator van mening is dat in deze zaak een uitzondering geldt op de hoofdregel van artikel 6:38 BW Pro, omdat het gaat om een (langdurige) rekening-courantverhouding tussen groepsvennootschappen. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uit de rechtspraak volgt geen algemene regel die de toepassing van artikel 6:38 BW Pro op rekening-courantverhoudingen tussen groepsvennootschappen beperkt. In de rechtspraak wordt artikel 6:38 BW Pro namelijk ook op dat soort vorderingen toegepast. [4] De curator heeft ook geen specifieke rechtspraak aangehaald waar hij zich op baseert.
5.21.
Dat de groepsvennootschappen ondanks het bepaalde in artikel 6:38 BW Pro de directe opeisbaarheid van de rekening-courantvordering van Thetis niet voor ogen zouden hebben gehad, is daarnaast onvoldoende gesteld of gebleken. Ter zitting wees de curator alleen op het verzoek van [naam 2] aan (onder meer) [naam 3] van 1 juni 2017 om de legesbetaling te regelen, [5] maar in die e-mail staat niets over de wijze waarop dit zou gebeuren. Uit deze e-mail is ook niet af te leiden dat de groepsvennootschappen de opeisbaarheid van de rekening-courantvordering niet voor ogen stond, zoals de curator stelt. Daarbij heeft Thetis toegelicht dat de betaling onderdeel was van een binnen de groepsvennootschappen afgesproken kasronde die op 1 augustus 2019 is uitgevoerd. Klaarblijkelijk gingen de groepsvennootschappen op die datum dus wel uit van de opeisbaarheid van de rekening-courantvordering van Thetis. Gezien deze toelichting en het uitgangspunt van artikel 6:38 BW Pro, was het aan de curator om zijn standpunt op dit punt (nader) aan te kleden met relevante feiten en omstandigheden. De curator heeft dat nagelaten. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de rekening-courantvordering van Thetis op 1 augustus 2019 (zonder aanmaning) opeisbaar was.
5.22.
De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling tot slot nog betoogd dat er sprake is van een meervoudige onverplichte rechtshandeling. Naast de al behandelde stellingen over de rekening-courantverhouding, die geen standhouden, neemt de curator stellingen in over een in 2017 door Woningborg gestelde kapitaaleis dat in Construction een agiostorting van € 650.000,00 moest plaatsvinden. Deze storting heeft volgens de curator plaatsgevonden op 13 juli 2017 vanuit Think Holding B.V., en is dezelfde dag teruggestort. De curator spreekt van misleiding en manipulatie van Woningborg en een onrechtmatige daad jegens Woningborg. De curator wijst erop dat de agioreserve op 1 augustus 2019 middels de kasronde weer in Construction was teruggestort. Volgens de curator had deze agiostorting in Construction moeten blijven, omdat het eigen vermogen van de vennootschap was. Het weghalen of uitkeren van agio – in welke vorm en onder welke titel dan ook – is altijd een onverplichte rechtshandeling. Het gaat om de materiële werkelijkheid en niet om de boekhoudkundige noemer. Het uitkeren van agiokapitaal was verboden en onverplicht en de betaling is onbevoegd, buiten [naam 2] om verricht, aldus de curator.
5.23.
De rechtbank overweegt hierover dat de (enige) rechtshandeling die de curator heeft vernietigd op grond van artikel 42 Fw Pro de aflossing van de rekening-courantschuld aan Thetis is. Zoals hiervoor overwogen was deze rekening-courantschuld op 1 augustus 2019 verschuldigd en opeisbaar. Dat de aflossing in feite een (onrechtmatige) uitkering van agio of dividend is geweest, zoals de curator kennelijk bepleit, kan de rechtbank daar niet mee verenigen. Tegenover de betaling stond namelijk een opeisbare schuld. Daarbij heeft Thetis gemotiveerd betwist dat het kasrondje van 1 augustus 2019 iets te maken had met (afspraken over) een agiostorting uit 2017. Het was dan ook aan de curator (die de stelplicht heeft) om voldoende duidelijk te maken waarom zijn stellingen over de agiostorting uit 2017 afbreuk zouden kunnen doen aan het verplichte karakter van de aflossing van een opeisbare rekening-courantschuld op 1 augustus 2019. De rechtbank is van oordeel dat de curator die duidelijkheid niet heeft kunnen verschaffen.
5.24.
De rechtbank concludeert dat het in deze zaak gaat om de betaling van een opeisbare schuld, wat een verplichte rechtshandeling is (zie 5.17). Dat desondanks sprake zou zijn van een onverplichte rechtshandeling, heeft de curator onvoldoende gemotiveerd gesteld en onderbouwd.
Conclusie vordering II
5.25.
Het voorgaande betekent dat niet is voldaan aan het eerste (constitutieve) vereiste van een geslaagd beroep op de faillissementspauliana van artikel 42 Fw Pro. Het beroep hierop faalt dus. Om deze reden zal de rechtbank ook vordering II van de curator afwijzen. De overige stellingen en verweren hoeven niet meer besproken te worden.
Vordering III – wettelijke rente
5.26.
Aangezien de rechtbank de onder I en II gevorderde hoofdsom zal afwijzen, geldt dit ook voor de gevorderde wettelijke rente.
Proceskosten
5.27.
Curator is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Thetis worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.152,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van curator af,
6.2.
veroordeelt curator in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als curator niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.

Voetnoten

1.F. Damsteegt in: Pauliana, Monografieën BW nr. B4, 2023/15.
2.HR 12 april 1996, NJ 1996/488,
3.Asser/Sieburgh 6-II 2021/343.
4.Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 23 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:883.
5.Productie 4 bij conclusie van antwoord.