Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2745

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/2577
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.87 Wet IB 2001Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op reisaftrek openbaar vervoer in inkomstenbelasting 2022

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarin de inspecteur de reisaftrek openbaar vervoer niet toekende voor het deel van de reis dat met de auto werd afgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk ondanks een te late indiening vanwege bijzondere omstandigheden rondom de ziekenhuisopname van de zoon van belanghebbende.

De rechtbank oordeelde dat de aanslag correct was vastgesteld conform artikel 3.87 van de Wet IB 2001, omdat de reisaftrek alleen geldt voor het openbaar vervoer en niet voor het autogedeelte van de woon-werkreis. Hoewel de vragen in het aangiftebiljet niet volledig duidelijk waren en belanghebbende deze naar beste weten had beantwoord, was er geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van gelijke gevallen tussen belastingplichtigen met looninkomen en met inkomen uit overige werkzaamheden. De belastingrente wordt aangepast in lijn met de aanslag. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2577

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 april 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 215.574.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 118 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarbij is in geschil of belanghebbende recht heeft op reisaftrek openbaar vervoer. Daarvoor beoordeelt de rechtbank of het beroep ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van belanghebbende ontvankelijk. De aanslag IB/PVV 2022 is naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende stond tot 17 januari 2022 ingeschreven op het [adres 1] . Vanaf 17 januari 2022 tot en met heden staat belanghebbende ingeschreven op het [adres 2] .
4.1.
Belanghebbende reist vanaf zijn woonadres met de auto naar het treinstation te Goes. Vanaf het treinstation te Goes reist belanghebbende met de trein naar zijn werk te Rotterdam.
4.2.
Belanghebbende heeft een NS Businesscard waarmee met het openbaar vervoer gereisd kan worden. Belanghebbende ontvangt tevens een reiskostenvergoeding voorschot via zijn salaris. De hoogte van dit voorschot is niet bekend.
4.3.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV 2022 een bedrag van € 2.214 opgegeven als reisaftrek. Belanghebbende heeft geen ontvangen reiskostenvergoeding ingevuld.
4.4.
In de aangifte staan een aantal vragen inzake de reiskosten en belanghebbende heeft deze als volgt beantwoord:
"Reisde u met het openbaar vervoer naar het werk? Ja
Had u meer reiskosten dan de werkgever vergoedde? Ja
Had u een openbaarvervoerverklaring of reisverklaring? Ja"

Motivering

Is het beroep ontvankelijk?
5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
5.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
5.2.
Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 10 april 2025 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 22 mei 2025. Het beroep is bij de rechtbank digitaal ontvangen op 26 mei 2025. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
5.3.
Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende stelt dat zijn jongste zoon rondom de beroepstermijn is opgenomen in het ziekenhuis met een ernstige leveraandoening. Na de behandeling was het voor belanghebbende prioriteit om reguliere werkzaamheden op te pakken en aandacht te besteden aan zijn gezin om alles te verwerken. Belanghebbende heeft hiervoor een overzicht met de zorgkosten van zijn zoon overgelegd waaruit de meerdaagse ziekenhuisopname blijkt.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, namelijk de meerdaagse ziekenhuisopname van de minderjarige zoon van belanghebbende voor een ernstige leveraandoening met langer herstelproces in de beroepstermijn, waarbij ook is meegewogen dat er geen derden-belanghebbenden zijn in deze fiscale procedure, is het naar oordeel van de rechtbank verschoonbaar dat belanghebbende pas later beroep heeft ingesteld.
Heeft belanghebbende recht op de reisaftrek uit artikel 3.87 van de wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB)?
6. Artikel 3.87, eerste lid, van de Wet IB (wettekst 1 januari 2022) luidt als volgt:
"De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand, voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt."
6.1.
Belanghebbende reist sinds zijn verhuizing vanaf zijn woonadres met de auto naar het treinstation te Goes, met name omdat hij zo vroeg vertrekt dat de bus naar het station geen alternatief is. Vanaf het treinstation te Goes reist belanghebbende met de trein verder naar zijn werk. Belanghebbende stelt de vragen in de aangifte IB/PVV 2022 juist te hebben beantwoord en daaruit blijkt dat sprake is van recht op de reisaftrek voor het gedeelte van de reis die hij met de auto aflegt. De inspecteur betwist dat sprake is van recht op de reisaftrek op grond van artikel 3.87 van de Wet IB en de inspecteur betwist dat de eerste twee vragen juist door belanghebbende zijn beantwoord. Voor deze procedure is niet in geschil dat de derde vraag (de vraag over de verklaring) juist beantwoord is.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de wet het gelijk aan de inspecteur. De kosten voor het gedeelte van de reis die belanghebbende aflegt met de auto komen niet voor aftrek in aanmerking op grond van artikel 3.87, eerste lid, van de Wet IB.
6.3.
Het geschil spitst zich dan toe op de vraag of de inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door het opleggen van de aanslag conform de wet. Dee rechtbank begrijpt dat het met name gaat om het zorgvuldigheidsbeginsel omdat belanghebbende de eerste twee vragen opgenomen in het aangiftebiljet waar het geschil zich tot beperkt (zie 4.4) stelt juist te hebben beantwoord en toen uit het aangiftebiljet bleek dat de kosten aftrekbaar waren. Indien de vragen in de optiek van de rechtbank juist beantwoord zijn, is de vraag of de inspecteur dan van het weergegeven resultaat in het aangiftebiljet – welke weergegeven resultaat niet bestreden wordt - namelijk dat de kosten aftrekbaar zijn, kan afwijken bij het opleggen van de aangifte.
6.4.
De vragen die in het aangiftebiljet zijn gesteld over de reiskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook gelet op de achtergrond van belanghebbende die geen fiscalist is, zo goed mogelijk beantwoord. Met de manier waarop de vragen in dit geval zijn gesteld, is echter niet duidelijk dat de reisaftrek beperkt is per openbaar vervoer gereisde reisafstand. Dit terwijl dat niet complex is om in de vraagstelling op te lossen. Ook is het een keuze van de inspecteur om de beantwoording van de vragen in het aangiftebiljet computertechnisch te beperken tot alleen ‘ja’ of ‘nee’. Het komt de rechtbank voor dat de zeker in de regio waar belanghebbende woont, het geen ongebruikelijke manier van het afleggen van woon-werk verkeer is door deels met de auto (in dit geval naar het station) en deels met het openbaar vervoer de reis af te leggen. Die manier van het afleggen van woon-werk verkeer, lijkt lastig invulbaar.
6.5.
De rechtbank overweegt voorts als volgt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft opgenomen, geven deze vragen eigenlijk niet exact weer wat de wet voorschrijft. De rechtbank ziet het algemene belang gesteld door de inspecteur wat er op neer komt dat in het kader van voorlichting de wettekst eigenlijk altijd meer of minder versimpeld of anders wordt weergegeven in het aangiftebiljet en er dus een vertaalslag in de gestelde vragen ten opzichte van de wettekst zit. Dit om de benodigde informatie voor het opleggen van de aanslag te krijgen en om het begrijpelijk te houden.
6.6.
De andere kant ziet de rechtbank ook: belanghebbende doet zijn best en de vragen waarover het geschil gaat, heeft hij in de optiek van de rechtbank zo goed mogelijk beantwoord. Dat belanghebbende vervolgens meende recht te hebben op aftrek, is voorstelbaar. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld dat uit de toelichting bij de vragen in het aangiftebiljet, belanghebbende had moeten begrijpen geen recht te hebben op de reisaftrek. Nog daargelaten dat de vraag is of van een gemiddelde belastingplichtige verwacht mag worden dat hij de toelichting doorneemt op inconsistenties ten opzichte van het aangiftebiljet [5] , zit de kennelijke toelichting waar de inspecteur op doelt zit niet in het dossier. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om deze toelichting aan het dossier toe te voegen en de rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om daar nog de mogelijkheid toe te bieden.
6.7.
De rechtbank ziet dus het punt van belanghebbende. Echter, hoewel van een zorgvuldig handelende inspecteur mag verwacht worden dat de formulering van de vragen in het aangiftebiljet voor de gemiddelde belastingplichtige duidelijk is [6] en de helderheid hier in dit geval te wensen over laat, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de inspecteur in strijd met enig rechtsbeginsel heeft gehandeld door de aangifte conform de wet vast te stellen. Ook al is dat in afwijking van het beeld dat geschetst werd in het aangiftebiljet.
6.8.
Het oordeel van de rechtbank is dus dat de aanslag IB/PVV 2022 juist is vastgesteld door de inspecteur.
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
7. Belanghebbende stelt dat sprake is van ongelijke behandeling ten opzichte van personen met nevenfuncties waarbij zakelijke kilometers wel aftrekbaar zijn.
7.1.
Bij schending van het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van gelijke gevallen. Belanghebbende vergelijkt belastingplichtigen met inkomen uit loondienst met belastingplichtigen met inkomen uit overige werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gelijke gevallen en reeds daarom slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet.
Belastingrente
8. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV 2022 zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Gerechtshof Den Haag 3 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1066, r.o. 5.9.
6.Gerechtshof Den Haag 3 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1066, r.o. 5.8.