ECLI:NL:RBZWB:2026:2745
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op reisaftrek openbaar vervoer in inkomstenbelasting 2022
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarin de inspecteur de reisaftrek openbaar vervoer niet toekende voor het deel van de reis dat met de auto werd afgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk ondanks een te late indiening vanwege bijzondere omstandigheden rondom de ziekenhuisopname van de zoon van belanghebbende.
De rechtbank oordeelde dat de aanslag correct was vastgesteld conform artikel 3.87 van de Wet IB 2001, omdat de reisaftrek alleen geldt voor het openbaar vervoer en niet voor het autogedeelte van de woon-werkreis. Hoewel de vragen in het aangiftebiljet niet volledig duidelijk waren en belanghebbende deze naar beste weten had beantwoord, was er geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van gelijke gevallen tussen belastingplichtigen met looninkomen en met inkomen uit overige werkzaamheden. De belastingrente wordt aangepast in lijn met de aanslag. Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanslag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.