Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de Dienst Toeslagen op haar aanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 24 december 2024 verweerder een termijn van zes weken had opgelegd om te beslissen.
De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling vereist is voordat beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, maar in dit geval was die niet nodig omdat de termijn al was verstreken. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verweerder alsnog op 12 augustus 2025 een besluit heeft genomen, waardoor het procesbelang van eiseres in het beroep tegen het niet tijdig beslissen is komen te vervallen.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Omdat eiseres het niet eens is met het alsnog genomen besluit, verwijst de rechtbank het beroep naar verweerder om het te behandelen als bezwaarschrift. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €53,- aan eiseres, aangezien het besluit na het instellen van het beroep is genomen. Er zijn geen overige proceskosten toegekend.