ECLI:NL:RBZWB:2026:2670
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen naheffingsaanslag omzetbelasting niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2016, opgelegd door de inspecteur met dagtekening 28 december 2019. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar pas op 3 juli 2024 werd ingediend, ruim na de wettelijke termijn van zes weken die eindigde op 10 februari 2020.
De rechtbank heeft beoordeeld of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is verzonden, onder meer door een verzendrapportage en bewijs van het postvervoersbedrijf. Hierdoor geldt een bewijsvermoeden van ontvangst, dat belanghebbende niet heeft kunnen ontzenuwen met concrete feiten of omstandigheden.
Omdat het bezwaar te laat is ingediend en belanghebbende geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd, is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrente.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor belanghebbende het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak is gedaan door rechter J.H. Bogert en griffier S. Panah op 3 april 2026 te Breda.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.