Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2023:41

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2023
Publicatiedatum
19 januari 2023
Zaaknummer
22/00362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank over verzending belastingaanslag wegens onduidelijkheid postvervoer

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over 2014. De Inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het verzet ongegrond omdat de Inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de aanslagen naar het juiste adres waren verzonden.

De Hoge Raad oordeelt echter dat de Inspecteur niet alleen aannemelijk moet maken dat de aanslag naar het juiste adres is verzonden, maar ook aan welk postvervoerbedrijf de aanslag is aangeboden. De overgelegde verzendrapporten gaven hierover onvoldoende duidelijkheid, waardoor het verzet ten onrechte ongegrond werd verklaard.

De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaart het verzet gegrond en draagt de rechtbank op het onderzoek voort te zetten. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën en de Inspecteur in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het verzet gegrond wegens onvoldoende bewijs van juiste verzending van de aanslagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/00362
Datum20 januari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 december 2021, nrs. SGR 21/2378 V en SGR 21/2379 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 augustus 2021. De uitspraak op het verzet van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.R. Autar, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Met dagtekening 28 juni 2017 zijn aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd.
2.1.2
Belanghebbende heeft bij brief van 30 november 2020 bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.3
In verzet is de uitspraak van de Rechtbank waarbij het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro ongegrond is verklaard, in stand gelaten. De ongegrondverklaring van het beroep steunt op de overweging dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslagen naar het juiste adres van belanghebbende zijn verzonden.
2.2
De eerste klacht richt zich tegen het hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank. Die klacht slaagt. In het geval de verzending van een belastingaanslag door de belanghebbende wordt betwist, dient de inspecteur niet alleen aannemelijk te maken dat deze aanslag naar het juiste adres is verzonden, maar ook aan welk postvervoerbedrijf die aanslag voor verzending is aangeboden. [1] Zoals is vermeld in het in cassatie ingediende verweerschrift maken de door de Inspecteur bij de Rechtbank overgelegde verzendrapporten niet duidelijk of de aanslagen ter verzending zijn aangeboden aan PostNL of aan Sandd. Dat betekent dat het verzet ten onrechte ongegrond is verklaard.
2.3
Uit hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen, volgt dat de uitspraak op het verzet van de Rechtbank niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen. Het verzet dient gegrond te worden verklaard.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het verzet bij de Rechtbank.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet,
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 13 augustus 2021 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek voortzet in de stand waarin het zich bevond,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.348 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het verzet bij de Rechtbank, vastgesteld op € 837 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2023.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, rechtsoverweging 2.5.1.