Eiseres heeft op 20 mei 2025 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-uitkering ingediend bij het UWV, dat dit verzoek op 21 mei 2025 ontving. Volgens de wettelijke beslistermijn had het UWV uiterlijk op 16 juli 2025 moeten beslissen. Nadat het UWV niet binnen deze termijn had beslist, stelde eiseres het UWV op 17 oktober 2025 in gebreke, waarna het UWV de ingebrekestelling op 21 oktober 2025 ontving. Na het verstrijken van twee weken zonder besluit, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV gaf aan dat het door een tekort aan verzekeringsartsen niet kon aangeven wanneer het besluit zou volgen en verzocht om een beslistermijn van 40 weken. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige besluitvorming mogelijk te maken, maar wijst het verzoek om een langere termijn af.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 april 2026.