Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2505

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/2610 GEMWT
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij motivering proceskostenvergoeding

Eiseres maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda waarin een proceskostenvergoeding werd toegekend van 2 punten, zonder nadere specificatie van het bedrag. Zij stelde dat het besluit onvolledig was vanwege het ontbreken van een duidelijke motivering over de hoogte van de vergoeding.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiseres voldoende procesbelang had bij haar beroep. Uit de zitting bleek dat eiseres de hoogte van de vergoeding niet betwistte, maar slechts de motivering daarvan. Het college had in het verweerschrift toegelicht dat 2 punten met een wegingsfactor van 1 resulteerden in een vergoeding van €1.294,-, welke volledig was vergoed.

De rechtbank oordeelde dat het belang van eiseres louter formeel was en dat het verzoek om nadere motivering geen feitelijke betekenis had. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend voor het beroep. De uitspraak werd gedaan door mr. T.I. van Term en mr. S.C.J.J. van Roij op 2 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang bij de motivering van de proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2610 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de toekenning van een proceskostenvergoeding aan eiseres in bezwaar. Eiseres is het niet eens met (het ontbreken van) de door het college gegeven motivering van de proceskostenvergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseres een procesbelang heeft bij de behandeling van haar beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij de behandeling van haar beroep
.Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2025 (bestreden besluit) waarbij haar verzoek om proceskostenvergoeding is toegewezen.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als waarnemer voor de gemachtigde van eiseres [waarnemer gemachtigde eiseres] en namens het college [vertegenwoordiger college] .

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2.1.
Op zondagochtend 6 oktober 2024 omstreeks 5:54 uur heeft een toezichthouder van de gemeente Breda geconstateerd dat het voertuig van eiseres met [kenteken] stond geparkeerd op het parkeerterrein Chasséveld. Op dat moment gold ter plaatse een parkeerverbod in verband met het evenement Singelloop Breda (Singelloop). Dit tijdelijke parkeerverbod is ter plaatse bekendgemaakt door middel van verkeersborden, te weten blauwe borden met een witte “P” met onderbord waarop staat vermeld dat parkeren verboden is “op zo 6 oktober 0-24u ivm Singelloop”. Verder maakt een symbool duidelijk dat een wegsleepregeling van kracht is.
2.2.
Met het besluit van 6 oktober 2024 (primair besluit) heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd aan eiseres door haar voertuig weg te slepen en in bewaring te stellen op de bewaarplaats, plaatselijk bekend als Graaf Engelbertlaan 167, 4837 DT in Breda . De kosten verbonden aan de toepassing van de onderhavige bestuursdwang zijn voor rekening van eiseres.
2.3.
Eiseres heeft op 12 november 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.4.
Met het bestreden besluit heeft het college:
- het bezwaar gericht tegen het besluit tot het toepassen van bestuursdwang ongegrond verklaard;
- het bezwaar gericht tegen de kostenbeschikking gegrond verklaard, deze beschikking herroepen en de in rekening gebrachte kosten terugbetaald; en
- het verzoek om kostenvergoeding toe te wijzen (2 punten).
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft het college gelet op het bepaalde in artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en het bepaalde in het Besluit proceskoten bestuursrecht (Bpb) besloten om aan eiseres een vergoeding van de kosten van het bezwaar (2 punten) toe te kennen.
Beroepsgronden
4. Eiseres stelt dat het bestreden besluit onvolledig is, omdat het college heeft nagelaten duidelijk te maken hoe hoog de vastgestelde proceskostenvergoeding is. In het bestreden besluit staat enkel dat “2 punten” worden toegekend. Op grond van artikel 7:15, vierde lid, Awb dient het college de proceskostenvergoeding vast te stellen conform de nadere regels zoals opgenomen in het Bpb. Door enkel het aantal punten te noemen zonder de verdere invulling van de formule [1] , voldoet het bestreden besluit niet aan de vereisten van artikel 7:15 Awb Pro en het Bpb. Dit leidt tot een onjuiste en gebrekkige vaststelling van de proceskostenvergoeding.
Oordeel van de rechtbank
Procesbelang
5.1.
De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres voldoende procesbelang heeft bij het door haar ingestelde beroep.
5.2.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [2] bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
5.3.
Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij de hoogte van de uitbetaalde proceskosten niet betwist. De beroepsgrond van eiseres ziet dus alleen nog op de (ontbrekende) motivering inzake de vaststelling van de proceskostenvergoeding.
5.4.
De rechtbank overweegt dat het college met het bestreden besluit heeft besloten om “het verzoek om kostenvergoeding toe te wijzen (
2 punten)”. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de proceskostenvergoeding voor (de gemachtigde van) eiseres voldoende gemotiveerd. Het was voor de gemachtigde van eiseres als ‘no cure no pay’-bureau voldoende duidelijk wat hieronder werd verstaan. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift uitgebreid toegelicht dat twee punten zijn toegekend met een wegingsfactor van 1 (normaal gewicht) wat leidt tot een vergoeding van 2 x € 647,- x 1 = € 1.294,-. Deze proceskosten in bezwaar zijn ook volledig door het college vergoed.
5.5.
Verder heeft eiseres ter zitting een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank van 16 juni 2025 [3] waarin is geoordeeld dat het beroep gegrond is, omdat sprake is van een motiveringsgebrek voor wat betreft de vaststelling van de proceskostenvergoeding. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is namelijk sprake van een andere situatie. In de uitspraak van 16 juni 2025 had de heffingsambtenaar helemaal geen motivering gegeven ten aanzien van de proceskostenvergoeding, terwijl met het bestreden besluit wel wordt gezegd dat een proceskostenvergoeding wordt toegekend van 2 punten.
5.6.
De rechtbank komt - op grond van voorgaande overwegingen - tot de conclusie dat eiseres geen procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het bestreden besluit. Er is sprake van een louter formeel belang bij de door eiseres gewenste nadere motivering van de proceskostenvergoeding. Daarom zal dit beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026 door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15, vierde lid
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
Besluit proceskosten bestuursrecht

Bijlage bij Besluit proceskosten bestuursrecht

TARIEF als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht
Het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C).

Voetnoten

1.Aantal punten x waarde per punt x wegingsfactor.
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2301.