ECLI:NL:RBZWB:2026:2485

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
BRE - 23 _ 10607
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWR
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €4.190 opgelegd door de inspecteur, die een hogere waardering van de auto hanteerde dan belanghebbende had opgegeven. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is, maar dat het bedrag te hoog is vastgesteld. De rechtbank vermindert de aanslag tot €3.992.

De rechtbank behandelt het geschil over het vertrouwensbeginsel, waardevermindering en het gebruik van correctiefactoren binnen de taxatiemethode. Er is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank acht de waardevermindering zoals door de inspecteur gehanteerd voldoende onderbouwd en wijst het beroep op een correctie via de koerslijst Eurotax af.

Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. De vergoeding wordt verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €3.992 en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van €1.500.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10607

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.190 aan verschuldigde Bpm.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 13 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is wel terecht maar tot een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 6 april 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Audi SQ5 met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.464.
3.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 8.654 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Verder is in geschil of meer waardevermindering in aanmerking moet worden genomen dan de inspecteur heeft gedaan en of binnen de taxatiemethode de schuifjes van de koerslijst Eurotax kunnen worden gebruikt.
Vertrouwensbeginsel
4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, gelet op het tijdsverloop tussen de controle bij DRZ op 12 april 2021 en de kennisgeving van de naheffingsaanslag van 21 september 2022, de inspecteur het vertrouwen heeft gewekt dat de door belanghebbende aangegeven Bpm juist was en dat daarop niet meer zou worden teruggekomen.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. [1] De inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden en de naheffingsaanslag ruim voor het verstrijken van de naheffingstermijn aangekondigd. Gesteld noch gebleken is dat beleid bestaat dat de inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of de inspecteur na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit belanghebbende heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat aan haar geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank ziet in de eerdere uitspraak [2] van de rechtbank in dit geval geen aanleiding om anders te oordelen. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake.
Waardevermindering
4.3.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 16.551 en daarvan € 15.000 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Belanghebbende heeft gesteld dat in elk geval rekening gehouden moet worden met een waardevermindering van € 1.973 omdat de auto slechts is uitgerust met 19 inch velgen in plaats van 21 inch velgen.
4.4.
De hertaxateur van DRZ heeft € 1.921 aan schade geconstateerd en daarvan € 1.383 (72%) als waardevermindering in aanmerking genomen. Ter zitting heeft de inspecteur betwist dat de auto met 19 inch velgen is uitgerust. Ten tijde van de schouw stond de auto te koop met, volgens de foto’s uit de verkoopadvertentie, 21 inch velgen, aldus de inspecteur.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto was uitgerust met 19 inch velgen. Weliswaar zaten er bij de schouw bij DRZ 19 inch velgen op de auto, maar gezien de verkoopadvertentie valt zeer wel te betwijfelen of deze niet ook 21 inch velgen heeft. De rechtbank merkt hierbij op dat aannemelijk is dat de verkoopadvertentie ziet op de auto gelet op de foto’s, de vermelde datum van eerste toelating en de opgegeven kilometerstand. Verder is aannemelijk dat de verkoopadvertentie een situatie weergeeft van vóór de schouw gelet op de kilometerstand en de opmerking van DRZ in het rapport. Er is dan geen reden om aan te nemen dat de waarde lager is doordat de auto de verkeerde velgen heeft.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer schade dan reeds door de inspecteur in aanmerking is genomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto destijds vijf jaar oud was en 48.747 kilometer had gereden. Ook de staat van de velgen is niet zodanig dat sprake van meer dan normale gebruiksschade. Het beleid dat binnen de branche zou bestaan leidt niet tot een ander oordeel. Al hetgeen de inspecteur voor het overige nog met betrekking tot het taxatierapport heeft gesteld hoeft dan geen behandeling meer.
Koerslijst Eurotax
4.7.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat binnen de taxatiemethode de schuifjes van Eurotax kunnen worden toegepast. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst belanghebbende naar zeven voorbeelden waaruit volgens belanghebbende blijkt dat de inspecteur de koerslijst Eurotax met correctiefactoren aanvaardt en ambtshalve toepast. Ter zitting heeft de gemachtigde gesteld in dit kader een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel.
4.8.
Gelet op de inmiddels door de koerslijstprovider gehanteerde disclaimer is de rechtbank van oordeel dat thans niet meer van een aftrek “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie” kan worden uitgegaan zonder daarvoor een onderbouwing voor het individuele geval te geven. Een dergelijke onderbouwing is door belanghebbende niet gegeven. Belanghebbende maakt, tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, ook niet aannemelijk dat sprake is van intern beleid om de schuifjes ambtshalve toe te passen. Het daarover ingenomen kennisgroepstandpunt wijst juist op het tegendeel. [3] De omstandigheid dat in een individueel geval wel een correctie van 15% wordt toegepast, maakt niet dat in het geval van belanghebbende sprake is van willekeur door geen correctie van 15% voor de auto toe te passen. Aan een individueel geval kan belanghebbende ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen. Dit geldt temeer omdat het in de taxatiemethode gaat om de waardering van de individuele auto. De taxateur van belanghebbende heeft ook geen aanleiding gezien om met de hiervoor genoemde factoren rekening te houden. De rechtbank ziet geen aanleiding in dit geval een correctie toe te passen. De koerslijst XRay is dan de meest voordelige voor belanghebbende.
Hoogte naheffingsaanslag
4.9.
Tussen partijen is dan niet meer in geschil dat de historische nieuwprijs € 122.788 bedraagt. Uitgaande van een handelsinkoopwaarde vermeld in de koerslijst van XRay van € 40.878 bedraagt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 39.495. Uitgaande van een bruto Bpm van € 26.290 berekent de rechtbank de verschuldigde Bpm op € 8.456. Belanghebbende heeft een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.464 zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot een bedrag van € 3.992. De belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd.
Immateriële schadevergoeding
4.10.
Belanghebbende heeft op 30 oktober 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 1 april 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond een jaar en 5 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.12.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt € 441 (5/17e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.059) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.992 en belanghebbende heeft recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.992;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 441;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.059;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. De griffier is verhinderd te tekenen.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 20 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.KG:013:2022:6.
4.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.