Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 8 september 2025, waarin het beroep wegens het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar gegrond werd verklaard, maar waarbij ten onrechte geen proceskostenvergoeding werd toegekend.
De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was en de inspecteur niet. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of er aanleiding is voor vergoeding van kosten door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De rechtbank oordeelt dat het verzet gegrond is omdat in de eerdere uitspraak ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur het griffierecht en de proceskosten voor de beroepsprocedure en de verzetprocedure aan belanghebbende moet vergoeden, respectievelijk € 467,- en € 233,50.
De uitspraak van 8 september 2025 wordt gehandhaafd en aangevuld met deze proceskostenveroordeling. De rechtbank benadrukt dat de verzetprocedure eenvoudig en van gering gewicht was, wat tot uitdrukking komt in de toegepaste wegingsfactoren.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.