ECLI:NL:RBZWB:2026:234

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/2640
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak belastingrecht niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende B.V. stelde verzet in tegen een uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025, waarin het beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het verzet op 11 december 2025, waarbij de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was, maar de inspecteur van de Belastingdienst niet.

De rechtbank oordeelde dat het verzetschrift te laat was ingediend. De termijn voor het indienen van verzet bedraagt zes weken na de dag van verzending van de uitspraak, die op 8 juli 2025 plaatsvond. De termijn eindigde derhalve op 19 augustus 2025, terwijl het verzet pas op 26 augustus 2025 digitaal werd ingediend.

Hoewel de gemachtigde erkende dat het verzet te laat was, verzocht hij om inhoudelijke beoordeling vanwege het grote financiële belang en de inspanningen voor een oplossing. De rechtbank stelde echter dat deze omstandigheden geen verschoonbare termijnoverschrijding opleveren. Er was geen sprake van andere feiten of omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en bleef de bestreden uitspraak in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/2640

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.
2. De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen. De inspecteur is zonder kennisgeving aan de rechtbank niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het verzet ontvankelijk?
4. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop de uitspraak op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop de uitspraak is toegezonden.
5. Een verzetschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Als iemand een verzetschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het verzetschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
6. Vast staat dat de rechtbank de uitspraak op 8 juli 2025 aan belanghebbende heeft verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 19 augustus 2025. Belanghebbende heeft op 26 augustus 2025 digitaal verzet ingesteld.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
7. Gemachtigde heeft ter zitting erkend dat hij te laat was met het instellen van verzet, maar geeft in overweging dat hij slechts vraagt om waar hij recht op heeft. Gemachtigde verzoekt om alsnog de gehele zaak te beoordelen, omdat het om substantiële bedragen gaat en hij hard werkt aan een oplossing.
8. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde omstandigheden de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar maken. Wat belanghebbende heeft aangevoerd over het grote financiële belang kan daaraan niet afdoen. Aan een termijnoverschrijding kan niet worden voorbijgegaan op grond van coulance of om de reden dat een niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen zou hebben. Van andere feiten en omstandigheden die een overschrijding verschoonbaar maken, is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verzet niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr.W. Dekkers, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:55 in Pro samenhang met 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.