ECLI:NL:RBZWB:2026:228

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/1930
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken machtiging afgewezen

Belanghebbende B.V. heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 19 september 2025, waarin het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een machtiging van de bevoegd bestuurder. De gemachtigde, mr. Bartels, heeft meerdere malen stukken ingediend, waaronder uittreksels uit het handelsregister en een machtiging op naam van een ander persoon dan de bevoegd bestuurder.

De rechtbank heeft mr. Bartels herhaaldelijk verzocht om een machtiging te overleggen die is ondertekend door de bevoegd bestuurder, zoals blijkt uit recente uittreksels uit het handelsregister. Ondanks deze verzoeken zijn de gevraagde stukken niet tijdig en correct overgelegd. De rechtbank concludeert dat het ontbreken van de juiste machtiging voor rekening van belanghebbende komt.

Het verzet wordt ongegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak in stand blijft. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat mr. Bartels niet bevoegd is om namens belanghebbende te procederen en er geen sprake is van toerekenbare gedragingen van de rechtbank of heffingsambtenaar.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1930

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 op het verzet van

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 19 september 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde deelgenomen.

Procesverloop

2. Bij brief van 8 april 2025 is mr. Bartels in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een machtiging en uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te overleggen. Hierop heeft hij gereageerd bij brief. Mr. Bartels heeft verschillende uittreksels uit het handelsregister van 4 november 2024 overgelegd en een machtiging op naam van [naam 1].
2.1.
De griffier heeft mr. Bartels verzocht om een machtiging te overleggen ondertekend door de bevoegd bestuurder van belanghebbende, [naam 2]. Op 8 mei 2025 heeft mr. Bartels verschillende uittreksels uit het handelsregister van 22 april 2022 overgelegd met de opmerking dat de rechtbank zich vergist.
2.2.
Bij brief van 18 augustus 2025 heeft de griffier mr. Bartels nogmaals in de gelegenheid gesteld een machtiging te overleggen die is ondertekend door de bevoegd bestuurder van belanghebbende, zoals dat volgt uit een recent uittreksel uit het handelsregister.
2.3.
Mr. Bartels heeft op 3 september 2025 nogmaals dezelfde stukken ingediend als genoemd onder 2.
2.4.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 september 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 19 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3.1.
Mr. Bartels voert in verzet aan dat hij wel de juiste stukken heeft overgelegd en bevoegd is namens belanghebbende op te treden. Ook heeft mr. Bartels in verzet nogmaals dezelfde machtiging van [naam 1] overgelegd.
3.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.3.
Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. Dit staat in artikel 8:24, tweede lid van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Als de ander een rechtspersoon is of een natuurlijk persoon die een onderneming drijft, kan de rechtbank ook verlangen dat (recente) uittreksels uit het handelsregister worden overgelegd.
3.4.
Uit de uittreksels uit het handelsregister van 4 november 2024 blijkt dat [naam 2] uiteindelijk bevoegd bestuurder van belanghebbende is. Bij brieven van 24 april 2025 en 18 augustus 2025 is mr. Bartels in de gelegenheid gesteld om de juiste machtiging te overleggen. De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen of deze ook zijn ontvangen blijkens de reactie van mr. Bartels op de brieven. Dat de gevraagde stukken niet worden ingediend is een omstandigheid die voor rekening van belanghebbende kan worden gelaten.
3.5.
Vast staat dat de rechtbank binnen de gestelde termijn geen machtiging van de bevoegd bestuurder van belanghebbende heeft ontvangen. De rechtbank heeft ook geen statuten ontvangen waaruit zou blijken dat de overgelegde machtiging voldoende is.

Conclusie en gevolgen

4. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 19 september 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriëleschadevergoeding
4.1.
Nu niet is gebleken dat mr. Bartels is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen, kan er ook geen sprake zijn van enige spanning of frustratie bij belanghebbende dat zou zijn te wijten aan het handelen of nalaten van de rechtbank of heffingsambtenaar. Mr. Bartels is tenslotte niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om immateriëleschadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet ongegrond;
  • wijst het verzoek om immateriëleschadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 21 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).