Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2219

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/4389
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024Art. 2 Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024Art. 4 Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024Art. 12 Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024Art. 2 Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij parkeervergunning 2025

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een tweede parkeervergunning voor het jaar 2025, welke door het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen is afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eisers voldoende procesbelang hebben bij een inhoudelijke behandeling van het beroep. Omdat de vergunning betrekking heeft op een afgesloten periode in het verleden en de geldigheid van de vergunning maximaal één jaar is, ontbreekt feitelijk belang bij een inhoudelijke beoordeling. Hoewel eisers mogelijk belang hebben bij een principieel oordeel over het beleid, is dit belang beperkt omdat per 1 januari 2026 een nieuw uitvoeringsbesluit is ingegaan dat de juridische situatie wijzigt.

De rechtbank oordeelt dat de juridische grondslag voor weigering van de vergunning in 2025 ontbrak, maar dat dit oordeel geen gevolgen heeft voor toekomstige aanvragen onder het nieuwe regime. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk. Gezien het vervallen procesbelang tijdens de procedure en de omstandigheden veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de parkeervergunning 2025 is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4389

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M. Busse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag om een parkeervergunning. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers geen procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel over hun beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers wonen in een appartement aan [adres] . Bij het appartement beschikken eisers over een garage. Aan hen is eerder een parkeervergunning verleend voor hun tweede auto.
2.1.
Eisers hebben op 15 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een tweede parkeervergunning (voor de eerste auto). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 25 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het college, in afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en mr. E.G.I. Vermue en [gemachtigde] namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Hebben eisers voldoende procesbelang?
3. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eisers voldoende procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van de aanvraag om een tweede parkeervergunning. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat eisers met het indienen van beroep nastreven daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eisers feitelijke betekenis kan hebben. [1] Het hebben van een louter formeel of principieel belang is in beginsel onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. [2]
3.1.
Eisers hebben een parkeervergunning aangevraagd voor het jaar 2025. Uit artikel 12 van Pro het Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024 (Uitvoeringsbesluit 2024) blijkt dat deze parkeervergunning voor hoogstens één jaar kan worden verleend en dat de geldigheid verloopt op 31 december. Het gaat dus om een geweigerde vergunning die ziet op een afgesloten periode in het verleden. Gelet hierop hebben eisers geen feitelijk procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak kan er belang zijn bij een principieel oordeel als aannemelijk is dat er nieuwe, soortgelijke besluiten over een soortgelijke situatie volgen. [3] Een dergelijk principieel oordeel kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning en de toetsing daarvan.
3.3.
Omdat het hier gaat om een jaarlijks terugkerende parkeervergunning, hebben eisers mogelijk belang bij een principieel oordeel. Eisers hebben ter zitting betoogd dat zij belang hebben bij een oordeel over het beleid van de gemeente inzake parkeren op eigen terrein en dan met name of de garage van eisers gezien moet worden als een parkeervoorziening op eigen terrein.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat de juridische regeling van parkeervergunningen inmiddels is veranderd omdat er per 1 januari 2026 een nieuw uitvoeringsbesluit in werking is getreden, het Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2026 (Uitvoeringsbesluit 2026). Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of een inhoudelijk oordeel in dit beroep nog gevolgen kan hebben voor een eventuele nieuwe aanvraag voor een parkeervergunning op basis van het Uitvoeringsbesluit 2026.
3.5.
Eisers hebben als eerste en meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat de wettelijke grondslag voor het weigeren van de parkeervergunning ontbreekt.
3.5.1.
Op grond van de Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024 (Parkeerverordening) kan het college weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor belanghebbendenparkeren, waar dus (kort gezegd) parkeren alleen is toegestaan voor vergunninghouders.
3.5.2.
In artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit 2024 is bepaald dat de parkeerplaatsen in parkeerzones A, B en C belanghebbendenplaatsen zijn. Het appartement van eisers ligt niet in de in dit artikel genoemde parkeerzones. Op de kaart van bijlage 3 bij het Uitvoeringsbesluit 2024 met als onderschrift ‘Gebieden waar in 2024 parkeren voor vergunninghouders geldt’ is echter ook een zone D ingetekend. Het appartement van eisers ligt in deze zone D. Het enkele intekenen van een gebied op een kaartje in de bijlage kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in de Parkeerverordening van zone D als gebied waar een vergunningsplicht geldt. Juridisch gezien was er daarom geen vergunning nodig voor parkeren in zone D. Maar gelet op de feitelijke situatie met bebording hebben eisers wel een groot belang bij het verlenen van een parkeervergunning. Nu er formeel geen vergunningsplicht bestond, is de rechtbank van oordeel dat een wettelijke grondslag voor het weigeren van de parkeervergunning ontbrak.
3.5.3.
Dit oordeel kan eisers echter niet baten bij een nieuwe aanvraag voor een parkeervergunning, omdat in artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit 2026 zone D wél is aangewezen als gebied waar een vergunningsplicht geldt.
3.6.
Ook de regeling rond het parkeren op eigen terrein is met het Uitvoeringsbesluit 2026 in juridische zin gewijzigd.
3.6.1.
Dat onder het regime van het Uitvoeringsbesluit 2024 geen vergunning werd verleend als iemand beschikte over een garage kon alleen worden afgeleid uit twee zinnen onder het kaartje in bijlage 3: “Voor Zone D worden geen bewonersvergunningen verleend […] In Zone D behoren bewoners op eigen terrein te parkeren.” Verder hanteerde het college hierbij (niet gepubliceerd) beleid.
3.6.2.
In het Uitvoeringsbesluit 2026 is nu als expliciete weigeringsgrond opgenomen dat de aanvrager over een eigen parkeervoorziening zou kunnen of moeten beschikken. [4] Bovendien is nu in bijlage 4 een zogeheten POET-lijst opgenomen, die de adressen bevat die geheel of deels parkeren op eigen terrein gerealiseerd moeten hebben.
3.6.3.
De rechtbank begrijpt dat partijen graag duidelijkheid zouden willen over de regeling rond parkeren op eigen terrein, maar een oordeel over de vraag of de regeling in het Uitvoeringsbesluit 2026 de rechterlijke toets kan doorstaan valt buiten de omvang van het geding in deze zaak over het Uitvoeringsbesluit 2024.
3.7.
Dit betekent dat eisers ook geen belang hebben bij een principieel oordeel over het bestreden besluit. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep ontbreekt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
4.1.
Omdat het procesbelang pas in de loop van de procedure is verdwenen en gelet op wat de rechtbank onder 3.5.2. heeft overwogen, ziet de rechtbank aanleiding het college te veroordelen tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten aan eisers. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De kosten in bezwaar stelt de rechtbank vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). De kosten in beroep stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). De totale proceskostenvergoeding is dus € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 26 maart 2026 en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024
Artikel 1, aanhef en onder e en z
In deze verordening wordt verstaan onder:
e. belanghebbendenparkeren: verzamelnaam en synoniem voor belanghebbendenplaatsen en parkeren door vergunninghouders;
z. parkeervergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen;
Artikel 2, eerste lid
Het college kan weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor belanghebbendenparkeren en/of weggedeelten aanwijzen die niet (langer) bestemd zijn voor belanghebbendenparkeren.
Artikel 4 - Verlening van parkeervergunningen
Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een parkeervergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen en/of parkeerapparatuurplaatsen.
Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het aanvragen, verlenen, wijzigen, intrekken en weigeren van parkeervergunningen.
[…]
Het college kan uitsluitend parkeervergunningen verlenen aan:
a. bewoners met een adres in een straat/zone waar belanghebbendenparkeren geldt, en/of personen die een woning in eigendom hebben in een straat/zone met belanghebbendenparkeren;
b. t/m k. […]
Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2024
Artikel 2, eerste en tweede lid
Alle parkeerplaatsen die onderdeel uitmaken van Zone A, Zone B en Zone C (zie bijlage 3) zijn belanghebbendenplaatsen, met uitzondering van parkeerapparatuurplaatsen.
Het parkeren op belanghebbendenplaatsen is toegestaan met een parkeervergunning.
Artikel 12, eerste lid
1. Een parkeervergunning als bedoeld in dit besluit wordt voor ten hoogste één jaar verleend.
Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening Gemeente Vlissingen 2026
Artikel 2, eerste en tweede lid
Alle parkeerplaatsen die onderdeel uitmaken van het vergunninghoudergebied (Zone A, Zone B, Zone C en Zone D (zie bijlage 3) zijn belanghebbendenplaatsen, met uitzondering van de parkeerapparatuurplaatsen als genoemd in het derde lid.
Het parkeren op belanghebbendenplaatsen is toegestaan met een parkeervergunning.
Artikel 4, tweede lid, aanhef en onder e
Het college kan een parkeervergunning o.a. weigeren indien de aanvrager over een eigen parkeervoorziening zou kunnen of moeten beschikken.
Artikel 5, negende lid
Adressen die op de POET-lijst staan, komen in tegenstelling tot het bepaalde in de leden twee en vier slechts in aanmerking voor het op de POET-lijst genoemde aantal parkeervergunningen (nul of één). Bijlage 4 bevat de POET-lijst die integraal onderdeel uitmaakt van dit uitvoeringsbesluit.
Bijlage 4 POET-lijst
Deze POET-lijst (Parkeren Op Eigen Terrein) bevat de adressen die geheel of deels parkeren op eigen terrein gerealiseerd moeten hebben. Deze adressen komen daarom slechts in aanmerking voor het achter het adres genoemde aantal bewoners- of bedrijfsvergunning.
(…)
[straatnaam] max één bewonersvergunning of één bedrijfsvergunning

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 27 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2380.
2.Zie de uitspraak van de ABRvS van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2650, r.o. 3.1.
3.Zie de uitspraak van de ABRvS van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:959, r.o. 5.1
4.Artikel 4, tweede lid, en onder e van het Uitvoeringsbesluit 2026