In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2023. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.277 aan verschuldigde Bpm, en heeft gelijktijdig € 54 belastingrente in rekening gebracht. Het bezwaar van belanghebbende tegen deze naheffingsaanslag is door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee inspecteurs.
De rechtbank heeft beoordeeld of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht zijn opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking vernietigd dienen te worden. Belanghebbende had op 21 maart 2022 aangifte gedaan voor de registratie van een Ford Mustang Shelby GT 350 en een bedrag aan Bpm voldaan. De inspecteur had de verschuldigde belasting op basis van een forfaitaire afschrijvingstabel berekend en de naheffingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd, omdat de inschrijving van de auto op naam van een ander bedrijf heeft plaatsgevonden.
De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd, omdat de inschrijving van de auto door een ander bedrijf is gedaan. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 1.000 aan belanghebbende vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank kent ook een proceskostenvergoeding van € 1.868 toe aan belanghebbende.