Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 in de zaken tussen
[verzoeker 1] B.V., uit [plaats 1] , verzoeker in de zaak 26/1012
[verzoeker 2] V.O.F., uit [plaats 2] , verzoeker in de zaak 26/1013
Samenvatting
Procesverloop
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen.
Namens de omwonenden zijn verschenen [persoon 5] en [persoon 6] . Voor de zitting heeft een vertegenwoordiger van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen laten weten niet aanwezig te zullen zijn.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Volgens [verzoeker 2] V.O.F. is het niet mogelijk om binnen de begunstigingstermijn van zes weken een reconstructie te maken van de verhouding tussen het aantal schoten en schotels en tussen het aantal schoten en ‘tweede schoten’ voor de schotenregistratie in 2024. Zij kunnen dus niet voldoen aan de opgelegde last binnen de daarvoor gegeven termijn.
Ter zitting is gebleken dat nog discussie bestaat over wat een voor beide partijen acceptabele wijze voor de uitvoering van dit onderzoek om tot een representatieve reconstructie te komen. Zo suggereerde een vertegenwoordiger van het college dat [verzoeker 2] V.O.F. eerst een onderzoeksopzet zou moeten tonen aan het college en als die acceptabel wordt gevonden, dan dat onderzoek kan uitvoeren. Omdat voor het onderzoek zelf ook een representatieve periode wordt gevraagd, kan dat wel enkele weken in beslag nemen, waarna het onderzoek nog zal moeten worden beoordeeld. Voor dat alles is de begunstigingstermijn van zes weken te kort. Daarnaast heeft het college niet gesteld of onderbouwd dat de reconstructie van de schotenregistratie over 2024 een zodanig dringend belang heeft dat dat thans – in 2026 – binnen een zo korte begunstigingstermijn moet worden verricht. Het door [verzoeker 2] V.O.F. bestreden besluit komt daarom voor schorsing in aanmerking.
Ten slotte voldoet [verzoeker 1] B.V. aan artikel 4.708, tweede lid, van het Bal omdat zij op het perceel noordelijk van de schietbaan, dat ook in eigendom is bij [verzoeker 1] B.V. waarschuwingsborden en dranghekken heeft geplaatst, zodat de kans dat personen door hagelkogeltjes worden geraakt te minimaliseren.
Het betoog van [verzoeker 1] B.V. dat inmiddels alleen met LN munitie wordt geschoten en dat dit type munitie minder ver draagt, maakt dit niet anders omdat de tabel bij artikel 4:708 geen Pro kortere afstandseisen kent voor dit type munitie. De rechtbank stelt vast dat de discussie of de baan ook op een andere wijze dan door het voldoen aan de afstandsnormen uit artikel 4:708 veilig Pro kan opereren, aan de orde is in een beroepsprocedure over het door het college afgewezen verzoek om gelijkwaardige maatregelen te accepteren. De rechtbank heeft er daarom in deze handhavingszaak niet vanuit te gaan dat die – volgens [verzoeker 1] B.V. gelijkwaardige – maatregelen handhaving onnodig maken. De dranghekken en borden zijn ten slotte onvoldoende om personen daadwerkelijk tegen te houden, terwijl het Bal staat:
‘In het gebied zijn tijdens het schieten geen personen aanwezig’. Het belemmeren van personen is niet voldoende, dus ook het tweede lid is overtreden.