Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2125

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/312
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 2:4 AwbArt. 7:11 AwbArt. 52a AWRArt. 52 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling informatiebeschikking en administratieplicht in belastingzaak

Belanghebbende exploiteerde een eenmanszaak in gebruikte duurdere auto's van april 2016 tot juli 2020, waarna de onderneming werd ingebracht in een besloten vennootschap. De Belastingdienst voerde een controle uit op de aangiften inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en omzetbelasting over de jaren 2018 tot medio 2020. Naar aanleiding van deze controle werden navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen opgelegd, waartegen belanghebbende bezwaar maakte.

De inspecteur gaf een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR vanwege ernstige gebreken in de administratie, waaronder het ontbreken van een kasboek, onvolledige crediteuren- en debiteurenadministratie en onjuiste verwerking van verkoopfacturen. Belanghebbende voerde aan dat de informatiebeschikking onterecht was, dat het controlerapport onjuist en vooringenomen was en dat de controle ongeschikt was vanwege de gehanteerde eindbalans.

De rechtbank oordeelde dat de informatiebeschikking terecht was gegeven omdat de administratie niet voldeed aan de wettelijke plichten en dat belanghebbende onvoldoende had meegewerkt om de administratie op orde te brengen. De rechtbank verwierp de stellingen over onjuistheden en vooringenomenheid in het controlerapport en wees erop dat het niet aan de inspecteur of rechtbank is om de administratie aan te vullen. Het beroep tegen de naheffingsaanslagen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet gericht was tegen die aanslagen.

De rechtbank gaf belanghebbende een termijn van zes weken om de geconstateerde gebreken in de administratie te herstellen en wees een verzoek tot vergoeding van proceskosten af. Het beroep werd daarmee deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard; belanghebbende krijgt zes weken om de administratiegebreken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/312
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. I.A. Koole),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft, met dagtekening 8 mei 2024, aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegeven.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Belanghebbende heeft een aanvullend stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de inspecteur.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, zijn gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de informatiebeschikking terecht is gegeven. Tevens beoordeelt de rechtbank of de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Feiten

3. Belanghebbende exploiteerde van 18 april 2016 tot 1 juli 2020 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak, genaamd [eenmanszaak] . De onderneming handelt in gebruikte auto’s uit het duurdere segment. Per 30 juni 2020 is de onderneming ingebracht in een besloten vennootschap.
3.1.
Bij belanghebbende heeft een controle plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2018 en 2019 en aangiften omzetbelasting (OB) over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2020. Het controlerapport is gedateerd 22 november 2022.
3.2.
Naar aanleiding van de in 3.1 bedoelde controle zijn aan belanghebbende (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd alsmede naheffingsaanslagen OB (de naheffingsaanslagen).
3.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen (onder meer) de naheffingsaanslagen. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven. In de informatiebeschikking staat onder meer:
“Tijdens dit boekenonderzoek is door het controleteam van de Belastingdienst vastgesteld dat uw administratie (ernstige) gebreken vertoonde. Deze gebreken waren dusdanig dat de administratie niet als betrouwbaar uitgangspunt kon dienen voor de beoordeling van de juistheid van de ingediende (kwartaal) aangiften omzetbelasting over de jaren 2018, 2019 en de eerste helft van 2020. (…)
Tijdens het boekenonderzoek is echter vastgesteld dat u niet hebt voldaan aan de administratie- en bewaarplicht die op grond van de artikel 52, eerste en vierde lid van de AWR op u rust.
Kasadministratie
(…), blijkt dat u in de gecontroleerde jaren geen (klad)kasboek hebt bijgehouden of op een andere wijze kasbetalingen in chronologische volgorde hebt vastgelegd. Ook van het aanwezige kasgeld werd in de gecontroleerde jaren geen aantekening gemaakt in de financiële administratie. (…) De bankafschriften van de privérekening (waarop ook zakelijke transacties staan alsmede contante stortingen waarvan de afkomst onbekend is) zijn nooit door u aan uw bevriende relatie overhandigd, waardoor deze transacties ook niet in de financiële administratie zijn verwerkt. (…) Daarnaast werd het kasgeld niet afzonderlijk (van het privégeld) bewaard en vond er geen (wekelijkse) kascontrole plaats.
Crediteurenadministratie
Op basis van de informatie die door u dan wel uw (voormalig) adviseur is overgelegd, kon het controleteam van de Belastingdienst geen aansluiting maken tussen de grootboekadministratie crediteuren en de jaarrekening. In overleg met u zijn de daadwerkelijk openstaande crediteuren per 31 december 2019 in kaart gebracht. De werkelijke stand van de crediteuren is € 156.175 lager dan het boeksaldo. Dezelfde werkwijze is toegepast op de debiteurenadministratie en de registratie van de leningen o/g. Daarbij zijn ook aanzienlijke verschillen geconstateerd.
Voorraadadministratie
Uit onderzoek is verder gebleken dat niet alle verkooptransacties in de financiële administratie zijn verwerkt en dat verkoopfacturen tegen verkeerde bedragen in de financiële administratie zijn geboekt. (…)

Conclusie

Nu is gebleken dat u niet aan uw administratie- en bewaarplicht hebt voldaan, en de gebreken in de administratie bovendien van een zodanige ernst en omvang zijn dat deze omkering en verzwaring van de bewijslast rechtvaardigen, heb ik besloten een informatiebeschikking af te geven op grond van artikel 52a van de AWR.”

Beoordeling

Vooraf
4. In de ter zitting overgelegde pleitnota verzoekt belanghebbende de rechtbank de naheffingsaanslagen en de daarbij vastgestelde boete- en belastingrentebeschikkingen te vernietigen.
4.1.
De rechtbank overweegt dat het beroepschrift niet is gericht tegen de in 4 bedoelde naheffingsaanslagen en beschikkingen en dat de rechtbank geen uitspraken op bezwaar bekend zijn betreffende die naheffingsaanslagen en beschikkingen. De rechtbank zal het beroep voor zover het is gericht tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen en de daarbij vastgestelde boete- en belastingrentebeschikkingen dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Algemeen
Heeft de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Awb geschonden?
4.2.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. Hij stelt dat de volgende stukken niet zijn overgelegd:
  • het verslag van het inleidend gesprek van het boekenonderzoek;
  • het verslag van het tussengesprek van 8 september 2022; en
  • stukken van intern beraad, zoals memo’s en mails die de inspecteur heeft uitgewisseld met de controlerend ambtenaren en degenen die het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen hebben behandeld.
4.3.
De inspecteur heeft verklaard dat hij alle stukken die van belang zijn voor de onderhavige informatiebeschikking heeft overgelegd.
4.4.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende niets heeft aangevoerd over de vraag voor de beslechting van welk resterend geschilpunt de in 4.2 bedoelde stukken, voor zover deze al bestaan, mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat zelfstandig ook niet in. De in 4.2 bedoelde stukken behoren dan ook niet tot de stukken van het geding, zodat de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Awb niet heeft geschonden. [1]
Inhoudelijk
4.5.
Belanghebbende heeft de volgende gronden aangevoerd:
- Nergens wordt inzichtelijk gemaakt welke gebreken in de administratie welke gevolgen hebben. Volgens belanghebbende wordt in de informatiebeschikking geen aanvullende of nieuwe informatie gevraagd.
- De informatiebeschikking is ten onrechte vastgesteld omdat de controleur geen aanvullende informatie heeft opgevraagd en op basis van het controlerapport al duidelijk was dat omkering van de bewijslast niet mogelijk was aangezien de in het controlerapport gestelde feiten gedeeltelijk niet juist zijn en alle ontlastende feiten daarin niet zijn opgenomen. Ook in bezwaar zouden alleen de negatieve conclusies zijn benadrukt en bevestigd.
- Het controlerapport is vooringenomen – en daarmee in strijd met artikel 2:4 van Pro de Awb en artikel 6 van Pro het EVRM – opgesteld en staat daarmee volledige heroverweging in bezwaar, als bedoeld in artikel 7:11 van Pro de Awb, in de weg.
- De controle, door uit te gaan van de eindbalans per 31 december 2019, per definitie fouten inhoudt die al bestonden bij aanvang van het controletijdvak, terwijl deze niet in het controletijdvak thuishoren.
- De beide privé bankrekeningen waren bij het boekenonderzoek integraal beschikbaar. Nergens zou blijken dat aantekeningen met vragen en opmerkingen zijn besproken of een poging is gedaan deze punten op te lossen. Belanghebbende vraagt de rechtbank om de inspecteur op te dragen belanghebbende in de gelegenheid te stellen de administratie compleet te maken met het integreren van beide privé bankrekeningen.
- In het controlerapport is niet vastgesteld dat (i) sprake was van een substantieel te laag winstpercentage, (ii) er negatieve kassen zijn, (iii) er meer omzet is geweest dan volgt uit de facturen, (iv) zijn privéuitgaven onvoldoende waren en (v) auto’s zijn verkocht, ingekocht, geïmporteerd of geëxporteerd die onbekend waren bij de RDW of de controlerend ambtenaren.
- Als het controlerapport wordt ontdaan van alle onjuistheden en de informatie wordt toegevoegd die er ten onrechte niet in is opgenomen, een beeld ontstaat van een ondernemer die steken heeft laten vallen die vaker voorkomen bij een startende ondernemer. Dat rechtvaardigt niet het afgeven van een informatiebeschikking. Afgifte van de beschikking levert volgens belanghebbende misbruik van bevoegdheid op. De beschikking dient volgens belanghebbende geen ander doel dan belanghebbende in een zwaardere bewijspositie te brengen.
4.6.
De rechtbank overweegt dat in de informatiebeschikking wordt verwezen naar het boekenonderzoek en dat de informatiebeschikking een samenvatting bevat van hetgeen aan de administratie van belanghebbende schortte (zie 3.3). Naar het oordeel van de rechtbank is de informatiebeschikking hiermee voldoende duidelijk.
4.7.
Op basis van het controlerapport kan worden geconcludeerd dat belanghebbendes administratie dusdanig gebrekkig was dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52, eerste lid, van de AWR. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de informatiebeschikking terecht is vastgesteld. De rechtbank weegt daarbij mee dat (de gemachtigde van) belanghebbende er tijdens de controle voor heeft gekozen alleen vragen van de controleurs te beantwoorden en niet alsnog de administratie zo goed als mogelijk op orde te brengen. Het is immers niet aan de controleurs om de administratie van belanghebbende op orde te brengen. Bij het aanvullend stuk (zie 1.4) heeft belanghebbende nog administratieve bescheiden overgelegd, maar het is evenmin aan de inspecteur of aan de rechtbank om de administratie van belanghebbende aan de hand van allerlei brondocumenten op orde te brengen. De na het geven van de beschikking door belanghebbende ingebrachte stukken maken niet dat de beschikking ten onrechte is gegeven. Het is dan ook niet aan de rechtbank om een oordeel te geven over de vraag of de administratie met deze aanvullende stukken compleet is. Het geven van de beschikking leidt dan ook niet tot misbruik van bevoegdheid.
4.8.
De rechtbank is niet gebleken dat het controlerapport onjuistheden bevat. Als al sprake is van dergelijke onjuistheden, dan leidt dit nog niet per definitie tot vooringenomenheid. Daarvan is slechts sprake als doelbewust onjuistheden in het controlerapport zijn opgenomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit is gebeurd. Dat in het controlerapport en in de bezwaarfase de nadruk heeft gelegen op hetgeen aan de administratie van belanghebbende mankeert is logisch, omdat een weergave van hetgeen wél goed ging niet leidt tot de conclusie dat belanghebbende aan zijn administratieplicht voldeed.
4.9.
Tot slot overweegt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de controleurs bij hun onderzoek, gezien de gebrekkige staat van de administratie van belanghebbende, niet konden uitgaan van de eindbalans per 31 december 2019. Belanghebbende wijst erop dat de wijze van controleren niet geschikt is om tot de conclusie te komen dat de administratie gebrekkig is omdat uitgegaan wordt van een aantal aannames over de geconstateerde verschillen. Nu de inspecteur niet over de benodigde informatie beschikte om de geconstateerde verschillen te verklaren, had het op de weg van belanghebbende gelegen om tijdens het boekenonderzoek de inspecteur hierover van informatie te voorzien. Belanghebbende heeft dit zelf nagelaten.
4.10.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de informatiebeschikking terecht gegeven en zal het beroep, voor zover het tegen die beschikking is gericht, ongegrond worden verklaard. Nu de gemachtigde ter zitting meerdere malen heeft verklaard dat de genoemde gebreken hersteld kunnen worden, zal de rechtbank daartoe gelegenheid geven.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Belanghebbende heeft gevraagd om vergoeding van zijn werkelijke proceskosten. Anders dan belanghebbende acht de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht om een hogere vergoeding dan (eventueel) de forfaitaire proceskostenvergoeding toe te kennen. Nu het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende ook geen forfaitaire vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslagen OB en de daarbij vastgestelde boete- en belastingrentebeschikkingen;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen de aan belanghebbende gegeven informatiebeschikking;
  • stelt belanghebbende een termijn van 6 weken om de in 3.3 genoemde gebreken in haar administratie te herstellen.
Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2026 door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.