ECLI:NL:RBZWB:2026:2120

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/02/446144 HA RK 26-49 (E)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • ing. Peters
  • Tempel
  • Marsé
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 278 RvArt. 282 RvArt. 39 Rv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek tegen familierechter wegens onpartijdigheid afgewezen

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de familierechter in een lopende hoofdzaak, omdat hij het onacceptabel vond dat hij zonder advocaat geen verweerschrift en verzoek tot wijziging van kinderalimentatie mocht indienen.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en concludeerde dat het toepassen van wettelijke bepalingen omtrent verplichte advocaatbijstand geen aanwijzing is voor vooringenomenheid van de rechter. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Daarnaast werd vastgesteld dat verzoeker eerder een wrakingsverzoek had ingediend dat ook ongegrond werd verklaard. Gezien het herhaalde en tijdige informeren over de advocaatplicht en het uitblijven van aanvullende onderbouwing, oordeelde de wrakingskamer dat verzoeker het wrakingsinstrument misbruikt om de procedure te vertragen.

Daarom werd een wrakingsverbod opgelegd voor toekomstige verzoeken van verzoeker tegen dezelfde rechter in deze zaak. De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van zaken ten tijde van de schorsing door het wrakingsverzoek.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de familierechter is kennelijk ongegrond verklaard en een wrakingsverbod opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/446144 HA RK 26-49
beslissing van 20 maart 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:
[verzoeker],
verzoeker.

1.Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met procedurenummer C/02/437096/FA RK 25-3328,
 het wrakingsverzoek van 17 maart 2026;
 het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 18 maart 2026 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Haerkens-Wouters (hierna: de rechter), optredend als familierechter in de bovengenoemde hoofdzaak. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 17 maart 2026.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

Verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat hij het absurd vindt dat hij in de hoofdzaak niet zonder bijstand van een advocaat een verweerschrift en een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie mag indienen.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.3
Het volgt rechtstreeks uit de wet dat een verweerschrift en een verzoek zoals verzoeker dat in de hoofdzaak beoogt, moet worden ondertekend door een advocaat. Dit staat namelijk in artikel 278, derde lid, gelezen samen met artikel 282, eerste lid, van het Rv. De omstandigheid dat de rechter deze wettelijke bepalingen toepast, kan geen zwaarwegende aanwijzing opleveren zoals hiervoor bedoeld.
4.4
De wrakingskamer zal gelet hierop het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaren. Om die reden laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
Wrakingsverbod
4.5
In artikel 39, vijfde lid, van het Rv staat dat in het geval van misbruik kan worden bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet meer in behandeling wordt genomen. De wrakingskamer past deze bepaling in deze zaak toe gelet op het volgende.
4.6
Verzoeker heeft in de hoofdzaak die hier aan de orde is eerder een wrakingsverzoek ingediend. Dit verzoek is in de beslissing van 12 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9025, kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker had aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat de zitting in de hoofdzaak ondanks zijn verzoek daartoe niet werd uitgesteld. De wrakingskamer heeft in de beoordeling meegewogen dat hoewel verzoeker op 4 december 2025 al wist dat deze zitting niet zou worden uitgesteld hij pas op 10 december 2025, de dag vóór de zitting, en na twee herhaalde uitstelverzoeken zonder aanvullende onderbouwing een wrakingsverzoek heeft ingediend. Ook heeft de wrakingskamer geoordeeld dat een procesbeslissing zoals het niet uitstellen van een zitting bij gebrek aan bijkomende omstandigheden nooit een reden voor wraking kan zijn.
4.7
In deze procedure is opnieuw meteen kenbaar dat verzoekers wrakingsverzoek ongegrond is, en heeft verzoeker opnieuw gewacht met het indienen van dat verzoek tot de dag van de zitting in de hoofdzaak (die na de afdoening van het eerdere wrakingsverzoek was bepaald op 17 maart 2026) terwijl hij op 4 maart 2026 al was geïnformeerd over de verplichte betrokkenheid van een advocaat. Hieruit leidt de wrakingskamer af dat verzoeker het instrument van wraking niet inzet waarvoor dat is bedoeld, maar om de voortgang van de hoofdzaak te traineren.
5. De beslissing
De wrakingskamer:
 verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met procedurenummer C/02/446144 HA RK 26-49 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek;
 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek jegens de rechter door of (mede) namens verzoeker in de hoofdzaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is genomen op 20 maart 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Tempel en mr. Marsé, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze
beslissing mede te ondertekenen.
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.